Controle-instanties De sociale inspectie op bezoek

De bevoegdheden van de sociale inspecteurs

Toegang tot de arbeidsplaatsen

De sociale inspecteurs die zich kunnen legitimeren, hebben het recht om, op elk ogenblik van de dag of nacht, zonder voorafgaande kennisgeving, vrij binnen te gaan in alle arbeidsplaatsen of andere plaatsen die aan hun toezicht onderworpen zijn, of waarvan zij redelijkerwijze kunnen vermoeden dat daar personen tewerkgesteld zijn die onderworpen zijn aan de wetgevingen waarover zij toezicht uitoefenen.

De periode van controle is zeer ruim: zeven dagen op zeven, vierentwintig uur op vierentwintig. Ook ’s nachts en in het weekend moeten controles kunnen plaatsvinden.

De sociale inspecteurs oefenen hun opdrachten uit voorzien van het legitimatiebewijs van hun ambt. De sociale inspecteurs zijn niet in uniform en kunnen zich alleen identificeren aan de hand van een legitimatiebewijs. De sociale inspecteurs moeten hun legitimatie steeds voorleggen. De legitimatiekaart moet zo vlug mogelijk worden voorgelegd en zeker zodra hij overgaat tot onderzoeksdaden zoals een verhoor of een identificatie.

Het recht op toegang bestaat derhalve ook ‘s nachts. Voorafgaande kennisgeving is niet nodig. Dat heeft tot gevolg dat de inspecteurs niet noodzakelijk hun aankomst eerst bij de werkgever dienen aan te melden. Het feit dat de sociale inspecteurs vrij mogen binnengaan, houdt automatisch ook in dat zij niet onderworpen zijn aan de toegangsregeling van de werkgever (bv. inschrijving in een aanwezigheidsregister).

Anderzijds is, opdat zij het recht op toegang zouden hebben, zelfs niet vereist dat er effectief personeel wordt tewerkgesteld. Een vermoeden van tewerkstelling is voldoende: het volstaat inderdaad dat de inspecteurs redelijkerwijze konden vermoeden dat er personeel werd tewerkgesteld. Zo zouden inspecteurs bijvoorbeeld kunnen beslissen zich ‘s nachts toegang te verschaffen tot bedrijfsinstallaties omdat er wagens staan op de parking, omdat er binnen licht brandt en er lawaai van de machines is, enzovoort.

Bovendien hebben de sociale inspecteurs niet alleen vrije toegang tot de arbeidsplaatsen, maar ook tot de andere plaatsen die aan hun toezicht onderworpen zijn. Typische voorbeelden daarvan zijn toiletten en refters.

In tegenstelling tot de arbeidsplaatsen, hebben de inspecteurs slechts toegang tot de bewoonde lokalen in de volgende gevallen:

  • wanneer de sociale inspecteurs zich ter plaatse begeven om op heterdaad een inbreuk vast te stellen;
  • op verzoek of met toestemming van de persoon die het werkelijk genot heeft van de bewoonde ruimte. Dat verzoek of die toestemming moet schriftelijk en voorafgaand worden gegeven;
  • in geval van oproep vanuit die plaats;
  • in geval van brand of overstroming;
  • wanneer de sociale inspecteurs in het bezit zijn van een machtiging tot visitatie uitgereikt door een onderzoeksrechter. Met zo een machtiging mogen ze wel de woning betreden, maar niet volledig onderzoeken. Dit in tegenstelling tot een huiszoekingsbevel in het kader van een gerechtelijk onderzoek.

Van zodra een lokaal bewoond is, ongeacht of er daarnaast ook een professionele activiteit wordt uitgeoefend, kan de sociaal inspecteur het lokaal niet zomaar betreden.

Het begrip ‘bewoond lokaal’ houdt verband met het begrip ‘woning’, zijnde de plaats die een persoon bewoont om er zijn verblijf of zijn werkelijke verblijfplaats te vestigen en waaruit hij uit dien hoofde recht heeft op een eerbiedigen van zijn persoonlijke levenssfeer, zijn rust en meer algemeen zijn privéleven. Voorbeeld: een garage of loods kan niet gelijkgesteld worden met een bewoond lokaal.

Bovendien moet het lokaal effectief bewoond zijn opdat er sprake zou zijn van een bewoond lokaal. Voorbeeld: een woning in opbouw waar op het ogenblik van de controle geen bewoning mogelijk was, is geen bewoond lokaal. Ook een vrachtwagen, zelfs wanneer deze voorzien is van een slaapbank, is geen bewoonde ruimte. Hetzelfde geldt voor een hotelkamer.

Toch moeten de sociale inspecteurs soms een bewoonde ruimte kunnen betreden teneinde de tewerkstelling vast te stellen. Het gaat dan om de specifieke gevallen van dienstboden, huisarbeiders, telewerkers,…

Identificatie van personen

De sociale inspecteurs mogen de identiteit opnemen van de personen die zich op de arbeidsplaatsen bevinden alsook van eenieder van wie zij de identificatie nodig achten voor de uitoefening van het toezicht. Het opnemen van identiteiten is dus niet beperkt tot werknemers. Zo kan bij een controle van een horecazaak ook een toevallige klant geïdentificeerd worden.Het kan ook betrekking hebben op personen van wie de sociale inspecteurs redelijkerwijze kunnen vermoeden dat zij werkgevers, aangestelden of lasthebbers, werknemers of gerechtigden zijn.

Zij kunnen daartoe van die personen de overlegging van officiële identificatiedocumenten eisen. Deze documenten hebben als functie de identiteit van de dragers ervan te bepalen. Als officiële identificatiedocumenten worden o.a. beschouwd: de (elektronische) identiteitskaart en de elektronische identiteitskaart voor vreemdelingen. De sociale inspecteurs hebben toegang tot de databanken van het Rijksregister om de identificatiedocumenten te controleren.

Bij een weigering tot voorlegging van een officieel identificatiedocument, kan een proces – verbaal voor belemmering van toezicht opgesteld worden.

Zij kunnen bovendien die personen identificeren met behulp van niet-officiële documenten, die niet als functie hebben de identiteit van de dragen te bepalen, maar wel gegevens bevatten inzake de identiteit. Denk bijvoorbeeld aan het paspoort, de arbeidskaart, het rijbewijs … of door middel van beeldmateriaal, zoals foto’s of video-opnames. Ook kan het bijvoorbeeld gaan om een toegangsbadge, een bankkaart, een lidkaart … De sociale inspecteurs kunnen de niet-officiële documenten gebruiken om personen te identificeren die vrijwillig die niet-officiële documenten voorleggen wanneer die personen geen officiële identificatiedocumenten kunnen voorleggen of wanneer de sociale inspecteurs twijfelen aan de authenticiteit of aan de identiteit van de betrokken persoon. De sociale inspecteurs hebben het recht om in die omstandigheden naar de niet-officiële documenten te vragen, maar zij kunnen die niet eisen. Het voorleggen van officiële identificatiedocumenten kan wel worden geëist.

Verhoren afnemen

De sociale inspecteurs mogen overgaan tot elk onderzoek, elke controle en elk verhoor, alsook inlichtingen inwinnen die zij nodig achten om zich ervan te vergewissen of de bepalingen van de wetgeving waarop zij toezicht uitoefenen, werkelijk worden nageleefd. Uit die bewoordingen blijkt dat de bevoegdheden van de sociale inspecteurs zeer ruim zijn.

De sociale inspecteurs kunnen iedereen ondervragen wiens verhoor zij nuttig achten. Zo mogen de sociale inspecteurs hetzij alleen, hetzij samen, hetzij in aanwezigheid van getuigen, gelijk welke persoon wiens verhoor zij noodzakelijk achten, ondervragen. Zij mogen derhalve niet alleen de werkgever ondervragen, maar ook de werknemers, de klanten en leveranciers van de onderneming en zelfs derden. De betrokkenen kunnen zowel afzonderlijk als in de aanwezigheid van andere verhoord worden en de werkgever kan dus niet eisen dat hij aanwezig is bij het verhoor van zijn werknemers. De werknemer kan afzonderlijk verhoord worden. Weigert de werkgever op verzoek van de sociaal inspecteur om de plaats van verhoor te verlaten, kan er een proces – verbaal voor belemmering van toezicht opgesteld worden.

De verhoorde heeft een aantal rechten. Die houden in dat bij het verhoren van personen, ongeacht in welke hoedanigheid zij worden verhoord, ten minste de volgende regels in acht genomen moeten worden:

  1. Ieder verhoor begint met de mededeling aan de ondervraagde persoon dat: 
    • hij kan vragen dat alle vragen die hem worden gesteld en alle antwoorden die hij geeft, worden genoteerd in de gebruikte bewoordingen;
    • hij kan vragen dat iedere maatregel behorende tot de bevoegdheid van de sociale inspecteurs krachtens dit Wetboek wordt verricht; 
    • zijn verklaringen als bewijs in rechte kunnen worden gebruikt. 
  2. Eenieder die wordt ondervraagd, mag gebruikmaken van de documenten in zijn bezit, zonder dat daardoor het verhoor wordt uitgesteld. Hij mag, tijdens de ondervraging of later, eisen dat die documenten bij het proces-verbaal van verhoor worden gevoegd. 
  3. Het proces-verbaal vermeldt nauwkeurig het tijdstip waarop het verhoor wordt aangevat, eventueel onderbroken en hervat, alsook beëindigd. Het vermeldt nauwkeurig de identiteit van de personen die in het verhoor, of in een gedeelte daarvan, tussenkomen, en het tijdstip van hun aankomst en vertrek. Het vermeldt ook de bijzondere omstandigheden en alles wat op de verklaring of de omstandigheden waarin zij is afgelegd, een bijzonder licht kan werpen.

Aan het einde van het verhoor geeft men de ondervraagde persoon het proces-verbaal van zijn verhoor te lezen, tenzij hij vraagt dat het hem wordt voorgelezen. Er wordt hem gevraagd of hij zijn verklaringen wil verbeteren of daaraan iets wil toevoegen. Aan de ondervraagde wordt tevens de mogelijkheid geboden kosteloos een kopie te ontvangen van zijn proces-verbaal van verhoor. De kopie wordt in principe onmiddellijk na het verhoor overhandigd of verstuurd binnen de maand, tenzij er omstandigheden zijn die een uitstel van aflevering van een afschrift van het verhoor voor maximaal 3 maanden verantwoorden. 

Indien de ondervraagde persoon zich in een andere taal dan die van de procedure wenst uit te drukken, wordt ofwel een beroep gedaan op een beëdigde tolk, ofwel worden zijn verklaringen genoteerd in zijn taal, ofwel wordt hem gevraagd zelf zijn verklaring te noteren. Als het verhoor plaatsheeft met bijstand van een tolk, dan worden diens identiteit en hoedanigheid vermeld. Het proces-verbaal van verhoor geeft de tekst van dit artikel weer.

Sinds 1 januari 2012 geeft ook de Wet consultatie- en bijstandsrecht een aantal bijkomende rechten aan de verhoorde persoon, ongeacht zijn hoedanigheid van getuige, klager, slachtoffer of verdachte. Die wet bepaalt immers dat vooraleer wordt overgegaan tot het verhoor van een persoon aangaande misdrijven die hem ten laste kunnen worden gelegd, aan de te ondervragen persoon op beknopte wijze kennis wordt gegeven van de feiten waarover hij zal worden verhoord en hem wordt meegedeeld dat:

  1. hij niet verplicht kan worden zichzelf te beschuldigen;
  2. hij de keuze heeft, na bekendmaking van zijn identiteit, om een verklaring af te leggen, te antwoorden op de hem gestelde vragen of te zwijgen.

Wanneer u door de sociale inspectie wordt verhoord, hebt u dus minstens het recht dat u op beknopte wijze kennis wordt gegeven van de feiten waarover u zult worden verhoord, evenals zult u erop worden gewezen dat u niet verplicht kunt worden om uzelf te beschuldigen.

Bovendien voorziet dezelfde wet dat u voor een aantal misdrijven van het hoogste niveau (categorie 4) het recht heeft om voor het eerste verhoor een vertrouwelijk overleg te hebben met een advocaat naar keuze of een u toegewezen advocaat. Dat zogenaamde consultatierecht kan maximaal dertig minuten duren. Inzake sociaalrechtelijke misdrijven gaat het onder meer om inbreuken op de regeling van het verbod op kinderarbeid, de wetgeving inzake de deeltijdse arbeid, de tewerkstelling van illegaal in België verblijvende werknemers, tewerkstelling zonder arbeidskaart, de Dimona-aangifte (onmiddellijke aangifte van tewerkstelling), het verplicht bijhouden van sociale documenten, de belemmering van het toezicht …

Documenten doen voorleggen

De sociale inspecteurs mogen alle informatiedragers, onder welke vorm ook zoals boeken, registers, digitale informatiedragers, schijven, enz.,  opsporen en onderzoeken die zich bevinden op de arbeidsplaats of op de andere plaatsen die aan hun toezicht zijn onderworpen, op voorwaarde dat die informatiedragers hetzij sociale gegevens bevatten of  gegevens die overeenkomstig de wet moeten worden opgemaakt, bijgehouden of bewaard (bv. personeelsregister, individuele rekening, aanwezigheidsregister), hetzij andere gegevens bevatten (bv. Onkostennota’s, verslagen, agenda,…). .

Deze informatiedragers kunnen aldus worden opgespoord in de lokalen van de onderneming maar niet in de lokalen van een mandataris, bijvoorbeeld in de lokalen van de externe boekhouder.

Deze opsporingsbevoegdheid van de sociale inspecteurs doet wel geen afbreuk aan de bescherming van de bewoonde lokalen. In geval van visitatie van bewoonde ruimten beschikkende de sociaal inspecteurs niet over het recht om informatiedragers op te sporen.

Het onderscheid tussen beide soorten informatiedragers is van groot belang. Voor de e  informatiedragers die sociale gegevens bevatten of  gegevens die overeenkomstig de wet moeten worden opgemaakt, bijgehouden of bewaard, kan de sociale inspectie niet alleen om de overlegging verzoeken, man kan hij deze informatiedragers ook actief opsporen. ,

Wat betreft de informatiedragers met andere gegevens kan de sociale inspectie deze enkel ter inzage doen voorleggen.

Tussen actief opsporen en louter doen voorleggen is een groot verschil. Op grond van de bevoegdheid van het louter voorleggen van die informatiedragers, mogen de sociale inspecteurs immers geen lokalen doorzoeken, sloten of kasten forceren, matrassen opensnijden of tegels wegnemen.

Zij mogen de werkgever niet verplichten die stukken zelf naar de kantoren van de inspectie te brengen. De wet laat hen inderdaad enkel toe kennis te nemen van de betrokken stukken ‘zonder verplaatsing’.

De sociaal inspecteurs kunnen ook overgaan tot het opsporen en onderzoeken van deze informatiedragers wanneer de werkgever niet bereikbaar is op het moment van de controle. De sociale inspecteur neemt dan wel de nodige maatregelen om de werkgever te contacteren om de informatiedragers te doen voorleggen. Wanneer de werkgever echter niet bereikbaar is op het moment van de controle, kunnen de sociale inspecteurs tot opsporing of onderzoek van de informatiedragers overgaan op voorwaarde dat de aard van de opsporing dit vereist. Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarbij er gevaar bestaat dat dat deze informatiedragers zouden verdwijnen. 

De sociale inspecteurs mogen van de gegevens, andere dan diegene toegankelijk zijn via een informaticasysteem, kopies nemen, in welke vorm ook, zowel van de informatiedragers die zij mogen opsporen, als van de informatiedragers die zij enkel kunnen laten voorleggen.

Voor de informatiedragers die ze mogen opsporen, beschikken de sociaal inspecteurs ook over de bevoegdheid om kopies te nemen wanneer de gegevens worden bijgehouden via een informaticasysteem.

Varia

De sociale inspecteurs hebben het recht de identiteit van deze personen na te gaan of zelfs te achterhalen met behulp van foto-, film- en video-opnamen.

De inspecteurs kunnen de informatiedragers  eveneens in beslag nemen. Anders dan de gewone politiediensten hebben zij daartoe geen bevel nodig. De inspectiediensten kunnen stukken meenemen of kopiëren. Ze moeten de nodige inspanningen doen om de werkgever te contacteren en als dat niet lukt, moeten ze nadien de werkgever schriftelijk informeren over de opsporing en over de informatiedragers die werden gekopieerd.

Zij kunnen ook roerende goederen in beslag nemen of verzegelen wanneer zij dat nodig achten voor het bewijs van overtredingen, of wanneer het gevaar bestaat dat deze goederen zullen worden aangewend om overtredingen te plegen. Dit ongeacht het feit of de werkgever al dan niet eigenaar is van deze goederen. Zo gebeurt het dat bijvoorbeeld computers door de inspectie in beslag worden genomen als vermoed wordt dat zich op de harde schijf bewijsmateriaal bevindt. Het kan hierbij ook bijvoorbeeld gaan om de inbeslagname van een machine, wanneer er een arbeidsongeval heeft plaatsgevonden.

Gaat het om documenten die de werkgever wettelijk dient bij te houden (personeelsregister, individuele rekening, aanwezigheidsregister enzovoort), dan kan de weigering om ze aan de inspectie voor te leggen, beschouwd worden als verhindering van toezicht, wat degene die zich daaraan schuldig maakt, blootstelt aan strafvervolging.

De inspectiediensten mogen verder nog stalen nemen en vaststellingen doen door middel van foto-, film- en video-opnamen.

Zij mogen er ten slotte op toezien dat bepaalde documenten metterdaad worden opgemaakt en aangeplakt, en eventueel zelf deze documenten opmaken. Zo zal bijvoorbeeld de controledienst van de RSZ zelf tot ambtshalve regularisatie van aangifte overgaan als zij van oordeel is dat bepaalde RSZ-bijdragen ten onrechte niet werden betaald.

Het behoeft geen betoog dat de sociale inspectie aldus zeer vergaande bevoegdheden heeft. Om die reden werd een legaliteitscontrole ingevoerd. Een werkgever kan zich naar aanleiding van een onderzoek richten tot de voorzitter van de arbeidsrechtbank. In kortgeding zal dan de wettelijkheid en de opportuniteit van bijvoorbeeld een inbeslagname kunnen beoordeeld worden.

Inlichtingen overmaken en opvragen

Mededeling van inlichtingen door de sociale inspecteurs aan andere administraties

Wanneer zij dit nodig achten, delen de sociale inspecteurs op eigen initiatief de inlichtingen die zij tijdens hun onderzoek hebben ingewonnen mee aan de openbare en aan de meewerkende instellingen van sociale zekerheid, aan de sociale inspecteurs van andere inspectiediensten, alsook aan alle ambtenaren belast met het toezicht op een andere wetgeving of met de toepassing van een andere wetgeving, in de mate dat die inlichtingen laatstgenoemden kunnen aanbelangen bij de uitoefening van het toezicht waarmee zij belast zijn of voor de toepassing van een andere wetgeving.

Deze inlichtingen moeten verplicht worden meegedeeld wanneer de openbare instellingen van sociale zekerheid, de sociale inspecteurs van de andere inspectiediensten of de andere ambtenaren belast met het toezicht of met de toepassing van een andere wetgeving erom verzoeken.

De vrijheid van mededeling van de sociaal inspecteur geldt niet voor inlichtingen  die werden ingewonnen tijdens de uitoefening van plichten voorgeschreven door de rechterlijke overheid slechts worden meegedeeld mits uitdrukkelijke machtiging van deze laatste, zijnde de onderzoeksrechter, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur Het geheim van het onderzoek verbiedt de politiemensen de door hen bij een strafonderzoek verzamelde gegevens mee te delen aan de sociale inspectie zonder de uitdrukkelijke machtiging.

Inlichtingen betreffende medische gegevens van persoonlijke aard mogen slechts worden meegedeeld of gebruikt met inachtneming van het medisch beroepsgeheim.

Mededeling van inlichtingen aan de sociale inspecteurs door andere administraties

Alle diensten van de Staat, met inbegrip van de parketten en de griffies van de hoven en van alle rechtscolleges, de provincies, de gemeenten, de verenigingen waartoe ze behoren, de openbare instellingen die ervan afhangen, alsmede van alle openbare en meewerkende instellingen van sociale zekerheid, zijn gehouden aan de sociale inspecteurs, op hun verzoek, alle inlichtingen te geven die laatstgenoemden nuttig achten voor het toezicht op de naleving van de wetgeving waarmee zij belast zijn, alsmede gelijk welke informatiedragers ter inzage over te leggen en kopieën ervan te verstrekken onder gelijk welke vorm.

Alle voornoemde diensten zijn verplicht die inlichtingen en die kopieën kosteloos te verstrekken.

Waarschuwingen geven

Wanneer een sociaal inspecteur een overtreding vaststelt, kan hij op verschillende wijze optreden: van het verschaffen van inlichtingen en adviezen, het geven van waarschuwingen, het stellen van een termijn voor regularisatie van de vastgestelde inbreuken, tot het opstellen van een proces-verbaal.  De sociale inspecteur beschikt dus over een zekere beoordelingsruimte of appreciatierecht Het appreciatierecht zal afhangen van een aantal factoren, zoals daar zijn de ernst en de aard van de overtreding, het recidivisme van de werkgever, de belangen van de RSZ,…

De sociaal inspecteurs zijn dus niet verplicht om te verbaliseren bij elke inbreuk die zij vaststellen.

De inspecteur kan er zich inderdaad toe beperken de nalatige werkgever een waarschuwing te geven. In de praktijk gaat het dan veelal om éénmalige lichtere inbreuken. In de praktijk zal hij dan doorgaans een termijn bepalen waarbinnen de werkgever zich in regel dient te stellen bv voor het opmaken van een loonfiche.

Na het verstrijken van die termijn zal de inspecteur dan nagaan of de werkgever zijn waarschuwing niet in de wind heeft geslagen. Blijkt dat wel het geval te zijn, dan zal uiteraard veelal een proces-verbaal worden opgesteld.

De sociaal inspecteurs zijn wel niet verplicht om eerst een waarschuwing te geven vooraleer zij een proces-verbaal kunnen opstellen.

Opmaken van een proces-verbaal

De inspecteur oordeelt zelf over de opportuniteit van het opstellen van een proces-verbaal.

Een dergelijk proces-verbaal stelt uiteindelijk het mechanisme van de strafprocedure in werking, echter niet elk proces-verbaal geeft aanleiding tot vervolging door het Openbaar Ministerie. Het proces-verbaal kan om allerlei reden zonder gevolg geklasseerd worden, bijvoorbeeld wanneer er niet genoegen bewijzen zouden zijn.

Een processen-verbaal van de inspectie heeft bewijskracht tot bewijs van het tegendeel, voor zover een afschrift ter kennis wordt gebracht van de overtreder binnen de wettelijke termijn van 14 dagen. Dat wil zeggen dat van de vaststellingen die de inspecteur heeft gedaan, deze feiten worden geacht bewezen te zijn zolang het tegenbewijs niet wordt geleverd. . Het gaat daarbij uiteraard slechts om de  zintuiglijke waarnemingen van de sociale inspecteur, en niet om de conclusies die hij daaruit trekt.

De termijn van 14 dagen neemt een aanvang na de vaststelling van de inbreuk. Wanneer de vervaldag op een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag valt, dan wordt deze termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag. 

Ontvangt de overtreder binnen veertien dagen geen afschrift van het proces-verbaal, verliest het wel zijn bewijskracht. Het heeft dan nog slechts de waarde van een gewone inlichting, waarmee de rechter uiteindelijk kan doen wat hij wil. Hetzelfde geldt wanneer het proces-verbaal niet werd ondertekend of niet voldoet aan andere vormvoorwaarden.

De werkgever heeft het recht het tegenbewijs te leveren en kan dit doen met alle bewijsmiddelen die tot zijn beschikking staan.

Dit geldt evenwel alleen als van het proces-verbaal binnen veertien dagen kennis is gegeven aan de overtreder. In de praktijk gebeurt dit meestal per aangetekende brief.

Praktisch

Het is van vitaal belang dat het proces-verbaal woordelijk weergeeft wat de ondervraagde heeft gezegd. Niet-gebruikte woorden of zinnen dienen op vraag van de ondervraagde geschrapt te worden. Als de sociale inspectie juridische termen hanteert in plaats van het ‘dagelijkse’ taalgebruik, dan kan dit in het kader van een gerechtelijke procedure immers gevolgen hebben voor de ondervraagde.

Politie opvorderen

De sociale inspecteurs kunnen, wanneer zij dat nodig achten, de bijstand van de politie vorderen. In de praktijk gebeurt dit relatief zelden. Het kan evenwel nodig zijn als blijkt dat de werkgever weigert de leden van de inspectie toegang te verschaffen tot het bedrijf. De werkgever begaat op dat ogenblik overigens het misdrijf van verhindering van toezicht en zal ook daarvoor al kunnen worden vervolgd.