Tijdens de duur van de arbeids­overeenkomst De bezoldiging

Het privégebruik van de firmawagen

Inleiding

Het zal duidelijk zijn dat het toekennen van een bedrijfswagen en het privégebruik ervan een van de ‘evergreens’ is in het verloningspakket van een werknemer. Opvallend is ook dat de firmawagen voor een werknemer een zeer emotioneel gegeven is. Zo zal men zien dat wanneer er een overvloed is aan werkaanbiedingen en werknemers maar te kiezen hebben, ze in hoge mate zullen opteren voor de werkgever die hen de mooiste firmawagen aanbiedt. Ook stijgt aan het einde van de arbeidsovereenkomst vaak de nervositeit op het ogenblik dat de firmawagen wordt teruggeroepen. Hierna zal kort worden ingegaan op enkele praktische situaties betreffende dit privégebruik van de firmawagen.

Het fundamentele uitgangspunt is dat het privégebruik van de firmawagen als loon beschouwd moet worden. Dat heeft dan ook zijn gevolgen bij het gebruik van de firmawagen tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst en aan het einde van de arbeidsovereenkomst.

Firmawagen tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst

Wat in geval van ziekte van de werknemer?

Heeft een zieke werknemer nog het recht om met de firmawagen rond te rijden? Hierbij dient het onderscheid te worden gemaakt tussen twee periodes.

  1. De eerste periode waarvoor de werknemer het gewaarborgd loon ontvangt.
    Het uitgangspunt is dat de werknemer gedurende de eerste dertig dagen van zijn ziekteperiode recht heeft op het gewaarborgd loon ten laste van zijn werkgever. Aangezien het privégebruik van de firmawagen als loon moet worden beschouwd, impliceert dit automatisch dat de werknemer het privégebruik van de firmawagen tijdens deze periode behoudt. Het is daarentegen wel perfect mogelijk, bij het begin van de arbeidsovereenkomst, duidelijk te vermelden in een car policy dat de partijen het erover eens zijn dat, in het geval van ziekte, de firmawagen onmiddellijk moet worden teruggebracht. Wanneer dit niet uitdrukkelijk in car policy wordt vermeld, zal de algemene regel spelen en zal de werknemer de firmawagen kunnen blijven gebruiken tijdens deze eerste periode.
  2. De tweede periode na de periode waarvoor de werknemer het gewaarborgd loon ontvangt.
    Het uitgangspunt is hier dat vanaf dat ogenblik de werkgever geen verplichting meer heeft tot het betalen van loon. De werknemer zal na de eerste dertig dagen namelijk terugvallen op een uitkering lasten het ziekenfonds. Bijgevolg hoeft hij ook niet meer het privégebruik van de firmawagen te laten aan de werknemer. Uiteraard staat het de werkgever ook hier vrij af te wijken van de algemene regel. Zo kan de werkgever toch toestaan dat de werknemer blijft rijden met de bedrijfswagen. Dergelijke afwijking moet bij voorkeur worden opgenomen in de car policy.

Wat tijdens de vakantie?

Het uitgangspunt is hier dat de werknemer recht heeft op doorbetaling van het loon tijdens de vakantiedagen. Derhalve moet de wagen ter beschikking blijven van de werknemer tijdens de vakantiedagen. Het opeisen van de wagen tijdens deze periode kan gezien worden als een verbreking van de arbeidsovereenkomst door de werkgever.

Wat als de werknemer deeltijds gaat werken?

Het uitgangspunt is hier dat de gevolgen voor de bedrijfswagen zullen afhangen van wat er in de car policy wordt beschreven. In de meeste gevallen zal de car policy bepalen dat het recht op de bedrijfswagen vervalt bij een deeltijdse tewerkstelling die een bepaald niveau heeft bereikt. Dit is niet verwonderlijk aangezien de kosten van de bedrijfswagen gelijk blijven of zélfs stijgen wanneer de werknemer ten gevolge van zijn deeltijdse tewerkstelling meer privé-kilometers zal afleggen. 

Kan de werkgever eenzijdig de wagen afnemen of van categorie verlagen?

Het privégebruik van de firmawagen is loon en dus kan de werkgever niet zomaar eenzijdig het recht op een al toegekende firmawagen ontnemen.

Een andere zaak is het verlagen van categorie van de wagen. Al blijft voorzichtigheid geboden, toch heeft de werkgever in principe het recht eenzijdig de categorie van de firmawagen te verlagen. Dit zal niet als een contractbreuk in hoofde van de werkgever beschouwd kunnen worden, behalve in het uitzonderlijke geval waarbij uitdrukkelijk tussen de partijen een specifiek merk en type wagen is overeengekomen. Of dat dan als een substantiële wijziging van de arbeidsvoorwaarden beschouwd kan worden, is hoogst twijfelachtig.

Sociaalzekerheidsrechtelijk statuut bedrijfswagen

Wanneer een werkgever aan zijn werknemers rechtstreeks of onrechtstreeks een voertuig ter beschikking stelt dat ook voor andere dan beroepsdoeleinden is bestemd, verwerft de werknemer een voordeel dat onderworpen is aan de betaling van een solidariteitsbijdrage door de werkgever.

Om het socialezekerheidsrechtelijke regime van het gebruik van het voertuig te ‘vergroenen’, wordt de solidariteitsbijdrage – in de vorm van een forfaitaire bijdrage – gekoppeld aan het CO2-uitstootgehalte van het voertuig en het type brandstof dat wordt gebruikt. Het aantal kilometers, evenals het feit of de werknemer al dan niet zelf financieel tussenkomt, is irrelevant.

De maandelijkse bijdrage, die niet minder mag bedragen dan 20,83 euro (bedrag voor 2020) wordt in 2020 forfaitair vastgesteld als volgt:

Voertuigen

Formule

Benzine

CO2 bekend: [(Y x € 9) – 768] : 12 x 149,19 / 114,08

CO2 onbekend: [(182 x € 9) – 768] : 12 x 149,19 / 114,08 = 94,81

Diesel

CO2 bekend: [(Y x € 9) – 600] : 12 x 149,19 / 114,08

CO2 onbekend: [(165 x € 9) – 600] : 12 x 149,19 / 114,08 = 96,45

LPG

[(Y x € 9) – 990] : 12 x 149,19 / 114,08

Elektrisch

€ 20,83 per maand (= minimumbijdrage)

De factor Y vertegenwoordigt het CO2–uitstootgehalte in gram per kilometer, zoals vermeld in het gelijkvormigheidsattest, het proces-verbaal van gelijkvormigheid van het voertuig of in de gegevensbank van de dienst voor de inschrijving van de voertuigen.

Opvallend is dat de werknemer zelf geen socialezekerheidsbijdragen moet betalen op het privégebruik van zijn firmawagen.

Fiscaalrechtelijk statuut bedrijfswagen

Wanneer er aan een werknemer een voertuig ter beschikking wordt gesteld en hij dat voertuig ook voor andere dan beroepsdoeleinden mag gebruiken, dan is dat een voordeel in natura, belastbaar in hoofde van de werknemer. Sinds 1 januari 2012 wordt dat voordeel van alle aard voor het persoonlijke gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig (op jaarbasis) berekend door een CO2-percentage toe te passen op 6/7 van de cataloguswaarde van het kosteloos ter beschikking gestelde voertuig.

(cataloguswaarde van het voertuig x ouderdomspercentage x 6/7) x CO2-percentage

Hieronder worden enkele begrippen verduidelijkt.

1.  Cataloguswaarde

De cataloguswaarde bestaat uit de prijs voor de wagen in nieuwe staat bij verkoop aan een particulier, inclusief de opties en de werkelijk betaalde btw. Dit bedrag houdt geen rekening met enig verkregen korting, vermindering, rabat[1] of restorno[2]. Naargelang de wagen ouder is, zal het belastbare voordeel van alle aard verminderen.

Periode verstreken sinds de eerste inschrijving van het voertuig (een begonnen maand telt voor een volledige maand)

Bij de berekening van het voordeel in aanmerking te nemen percentage van de cataloguswaarde

Van 0 tot 12 maanden

100 %

Van 13 tot 24 maanden

94 %

Van 25 tot 36 maanden

88 %

Van 37 tot 48 maanden

82 %

Van 49 tot 60 maanden

76 %

Vanaf 61 maanden

70 %

2.  CO2-percentage

Het CO2-percentage bedraagt als basis 5,5 procent. Dit percentage wordt gekoppeld aan de referentie-uitstoot voor een bepaald kalenderjaar. Deze referentie-uitstoot wordt jaarlijkse herzien bij Koninklijk Besluit. De achterliggende reden is een te voorziene verlaging van de CO2-uitstoot van nieuwe voertuigen. Zo kan, wanneer nieuw ingeschreven voertuigen milieuvriendelijker worden, het voordeel van alle aard toch even hoog worden gehouden. Dit zou er evenwel kunnen toe leiden dat voor bestaande voertuigen het voordeel mogelijks hoger begroot wordt na verloop van een jaar.

Referentie-CO2-uitstoot

Kalenderjaar

Wagen met een benzine-, LPG- of aardgasmotor

Voertuigen met dieselmotor

2014

112 g/km

93 g/km

2015

110 g/km

91 g/km

2016

107 g/km

89 g/km

2017

105 g/km

87 g/km

2018

105 g/km

86 g/km

2019

107 g/km

88 g/km

2020

111 g/km

91 g/km

Het CO2-percentage zal uiteindelijk rekening houden de CO2-uitstoot van het voertuig. Deze uitstoot is afhankelijk van de situatie waarin de werknemer zich bevindt.

  1. Is de CO2-uitstoot gekend (inschrijvingsbewijs) of niet? In dit laatste geval gaat de wetgever uit van een fictieve CO2-uitstoot.
  2. Is de CO2-uitstoot gelijk aan, hoger of lager dan de referentie-uitstoot? In deze laatste twee gevallen wordt het basis-CO2-percentage gecorrigeerd.

Hierna volgt een schematisch overzicht. 



Zo wordt het voordeel van alle aard voor een bedrijfswagen in concreto als volgt berekend.

De werkgever stelt een bedrijfswagen met benzinemotor ter beschikking van zijn werknemer. De bedrijfswagen heeft een cataloguswaarde van 30.000 euro en een CO2-uitstoot van 120 g/km. De bedrijfswagen werd voor het eerst ingeschreven op 21 juni 2019. Hoeveel bedraagt het voordeel van alle aard voor het kalenderjaar 2020, aanslagjaar 2021?

Voor de berekening van de periode die is verstreken sinds de eerste inschrijving van de bedrijfswagen telt een begonnen maand voor een volledige maand. De berekening moet aldus starten vanaf 1 juni 2019. Het percentage van de cataloguswaarde voor de berekening van het voordeel van alle aard bedraagt 100 procent voor de periode van 1 juni 2019 tot en met 31 mei 2020 en 94 procent voor de periode van 1 juni 2020 tot 31 mei 2021.

De CO2-uitstoot bedraagt 9 gram meer dan de referentie CO2-uitstoot van 111 g/km voor een benzinemotor. Dit betekent dat het basispercentage van 5,5 procent moet worden verhoogd met 0,9 procent. Dit volgt uit het feit dat er 0,1 procent per gram CO2-uitstoot moet worden toegevoegd (((120 g/km – 111 g/km) * 0,1) = 0,9 procent per gram CO2-uitstoot)) Het basispercentage moet aldus worden verhoogd tot 6,4 procent.

Voor de berekening moet rekening worden gehouden met het aantal kalenderdagen. Hou er rekening mee dat 2020 een schrikkeljaar is en aldus 366 dagen telt.

  1. Voor de periode 1 januari 2020 tot 31 mei 2020: 152 dagen;
  2. Voor de periode van 1 juni 2020 tot 31 december 2020: 214 dagen.

Het voordeel van alle aard voor deze bedrijfswagen bedraagt:

30.000 euro (cataloguswaarde) x 100 % x 152/366 x 6/7 x 6,4 % (CO2-percentage) = 683,47 euro;

30.000 euro (cataloguswaarde) x 94 % x 214/366 x 6/7 x 6,4 % (CO2-percentage) = 904,51 euro;

In principe zal het voordeel van de bedrijfswagen belastbaar zijn voor de werknemer, en dit voor een bedrag van 1.587,98 euro (683,47 euro + 904,51 euro) voor het kalenderjaar 2020, aanslagjaar 2021.

In ieder geval zal het voordeel van alle aard van het persoonlijk gebruik van een bedrijfswagen gekoppeld zijn aan een absolute ondergrens. Zo zal het niet minder dan 1.340 euro per jaar (geïndexeerd voor inkomstenjaar 2019, aanslagjaar 2020) of 1.360 euro per jaar (inkomstenjaar 2020, aanslagjaar 2021) mogen bedragen.

Indien de werknemer een eigen bijdrage betaalt voor het persoonlijke gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig, dan gebeurt de berekening van het voordeel zoals in het voorbeeld hierboven, doch wordt het resultaat verminderd met de eigen bijdrage van het voordeel.

In het bovenstaande voorbeeld geniet de werknemer een voordeel van alle aard, belastbaar voor een bedrag van 1.587,98 euro per jaar. Dit betekent een voordeel van alle aard voor een bedrag van 132,33 euro per maand. Stel dat u een eigen bijdrage betaalt voor een bedrag van 30,00 euro per maand. In dat geval bedraagt het voordeel van alle aard, waarvoor belastingen verschuldigd zijn, slechts 102,33 euro per maand.

Als eigen bijdrage wordt onder meer de bijdrage van de werknemer in de aankoop van winterbanden of bij een tankkaart verstaan. Dit op voorwaarde dat ze beiden ter beschikking worden gesteld door de werkgever. Indien er enkel een bedrijfswagen ter beschikking wordt gesteld, zonder winterbanden of tankkaart, zal de vermindering niet worden aanvaard.

De kosten van het privégebruik van een bedrijfswagen zijn in hoofde van de werkgever niet voor 100% aftrekbaar als loonkosten. Zo is 17% van het voordeel van alle aard (volgens bovenstaande berekening) voor de werkgever niet-aftrekbaar in de vennootschapsbelasting, wat een zogenaamde verworpen uitgave zal zijn. Deze verworpen uitgave dient opgeteld te worden bij de verworpen uitgave die ontstaat uit de reeds bestaande aftrekbeperking van de autokosten van het professionele gebruik.

Belangrijk is op te merken dat er sinds 1 januari 2017 twee wijzigingen werden gerealiseerd ten aanzien van deze fiscale regelgeving. Deze wijzigingen hebben tot gevolg dat in bepaalde gevallen het privégebruik van firmawagens opnieuw aanzienlijk zwaarder wordt belast in hoofde van de werkgever.

In de eerste plaats zal vermelde percentage van 17% verworpen uitgave worden opgetrokken tot 40% als de werkgever een bedrijfswagen ter beschikking stelt waarbij ook de brandstofkosten voor de bedrijfswagen geheel of gedeeltelijk ten laste worden genomen door de werkgever. Het spreekt voor zich dat deze maatregel in zeer veel gevallen tot aanzienlijke meerkosten voor de werkgever zal leiden, aangezien in België bijna elke werkgever ook de brandstofkosten voor een ter beschikking gestelde bedrijfswagen op zich neemt. Ten slotte zal de verworpen uitgave van 40% vanaf 1 januari 2017 berekend moeten worden op het voordeel alle aard voor de aftrek van de eventuele eigen bijdragen van de werknemer, wat opnieuw hogere kosten voor de werkgever tot gevolg heeft.

Aan het einde van de arbeidsovereenkomst

Hierbij dienen we het onderscheid te maken tussen een beëindiging met het betekenen van een opzeggingstermijn enerzijds, en anderzijds een onmiddellijke beëindiging op voorwaarde van betaling van een verbrekingsvergoeding.

Opzeggingstermijn

Het basisprincipe is dat tijdens de opzeggingstermijn de arbeidsovereenkomst en al haar rechten en verplichtingen blijven bestaan. Het loon moet dus ook betaald worden, inclusief het privégebruik van de firmawagen. Praktisch rijst heel vaak de vraag of een werknemer recht heeft op het behoud van de firmawagen tijdens het sollicitatieverlof. Het antwoord daarop is positief. Een dergelijk sollicitatieverlof dient immers te worden gegeven met behoud van loon.

Onmiddellijke beëindiging op voorwaarde van betaling van een opzeggingsvergoeding

Op het moment dat de arbeidsovereenkomst onmiddellijk wordt beëindigd op voorwaarde van betaling van een verbrekingsvergoeding, impliceert dit dat elke contractuele relatie tussen de partijen is verbroken. Derhalve vervalt de verplichting voor de werkgever tot het betalen van loon en moet logischerwijze de firmawagen onmiddellijk ingeleverd worden door de ex-werknemer.

Met het voordeel van het privégebruik van de firmawagen wordt wel rekening gehouden bij de berekening van de verbrekingsvergoeding. Want in het basisjaarloon, dat als uitgangspunt dient voor de berekening van de verbrekingsvergoeding, moeten alle mogelijke contractuele voordelen opgenomen worden, waaronder het privégebruik van de firmawagen.

De hamvraag is dan: hoe gaat men dit voordeel evalueren?

Sommigen stellen ten onrechte dat men de fiscale evaluatie als uitgangspunt moet nemen. Dit wordt door de rechtspraak afgewezen. Zo wordt ook niet aanvaard dat men in geval van leasing de leasekosten gaat opnemen in het basisloon. Het is het voordeel in hoofde van de werknemer dat telt, en niet de mogelijke kosten die dit in hoofde van de werkgever zou hebben meegebracht. In de praktijk gaan de arbeidsgerechten het privégebruik van de firmawagen ex aequo et bono evalueren. Ze houden daarbij onder meer rekening met het merk en type van de wagen, in welke mate de werknemer een bepaald aantal privékilometers aflegt, het feit dat de werknemer al dan niet bepaalde kosten draagt zoals de brandstofkosten bij verplaatsingen in de privésfeer … Gemiddeld wordt hiervoor op maandbasis 325 euro toegekend.

Praktisch probleem

Ondanks het voorgaande gebeurt het in de praktijk toch heel vaak, in het kader van een minnelijke regeling voor de ontslagvergoeding, dat aan de ex-werknemer nog enige maanden het privégebruik van de firmawagen wordt gegund. Voor vele ex-werknemers is dat zelfs emotioneel een zeer belangrijk punt. Het dient ten zeerste onderstreept te worden dat het van kapitaal belang is dat wanneer een dergelijke gunst wordt toegestaan, hierover een goede overeenkomst afgesloten moet worden. In deze overeenkomst dient onder meer duidelijk gestipuleerd te worden wie de wagen mag gebruiken, wie aansprakelijk is in geval van een ongeval, wie aansprakelijk is voor het onderhoud, wat de grenzen zijn van het gebruik in afstand, en wanneer en hoe de wagen teruggegeven dient te worden. Al te vaak ontstaan hierover nadien zware discussies.

Mobiliteitsvergoeding

Let op!

De mobiliteitsvergoeding of “cash-for-car” werd door een arrest van 23 januari 2020 vernietigd. De gevolgen van de vernietigde wet worden voor bestaande mobiliteitsvergoedingen gehandhaafd tot wanneer er andere wetsbepalingen in werking treden, en dit uiterlijk tot en met 31 december 2020. Het invoeren van een nieuwe regeling is niet meer mogelijk. Vanaf 2021 wordt de mobiliteitsvergoeding aldus als normaal loon belast.

De regeling van de mobiliteitsvergoeding of “cash-for-car” werd in mei 2018 ingevoerd, door een wet met terugwerkende kracht tot 1 januari 2018,  om werknemers er toe aan te zetten minder gebruik te maken van de (bedrijfs)wagen in het verkeer. Zo zal de werknemer die beschikt over een bedrijfswagen, die hij ook voor privé-verplaatsingen mag gebruiken, deze volledig kunnen inruilen voor een mobiliteitsvergoeding in de vorm van een cash-bedrag. Deze vergoeding kan de werknemer volledig vrij aanwenden voor de financiering van alternatieve vervoersmiddelen voor de woon-werkverplaatsingen.

De mobiliteitsvergoeding of “cash-for-car” toont heel wat gelijkenissen met het mobiliteitsbudget. Om die reden, en het feit dat de mobiliteitsvergoeding wellicht zal verdwijnen, wordt hier enkel aandacht besteed aan de nog relevante kenmerken.

Doelstelling

De mobiliteitsvergoeding had tot doel het privégebruik van de bedrijfswagen alsook het woon-werkverkeer, om te zetten in een (para)fiscaal gunstig alternatief. Een vermindering van het aantal wagens in het verkeer lag daaraan ten grondslag.

Voorwaarden

De beslissing tot het invoeren van de mobiliteitsvergoeding ligt uitsluitend bij de werkgever. Hij kan vrij beslissen bijkomende voorwaarden aan de mobiliteitsvergoeding te koppelen. Enkel binnen dat kader kan de werknemer zich op het systeem van de mobiliteitsvergoeding beroepen.

Werkgever

De werkgever moet (1) reeds gedurende een ononderbroken periode van minstens 36 maanden, onmiddellijk voorafgaande aan de invoering van de mobiliteitsvergoeding, (2) één of meerdere bedrijfswagens ter beschikking hebben gesteld aan één of meerdere werknemers. Voor de startende werkgevers, die niet minstens 36 maanden actief zijn, moet enkel aan deze laatste voorwaarde zijn voldaan.

Werknemer

De mobiliteitsvergoeding gaat gepaard met een bepaalde wachtperiode. De werknemer kan zich enkel inschrijven op de mobiliteitsvergoeding als hij/zij voldoet aan deze voorwaarden (inclusief de voorwaarden die door de werkgever werden opgelegd).

1. De werknemer beschikt op het ogenblik waarop hij/zij een aanvraag doet, reeds gedurende een ononderbroken periode van 3 maanden effectief over een bedrijfswagen bij de huidige werkgever (of hij/zij komt daarvoor in aanmerking);

en

2. De werknemer beschikt reeds gedurende een periode van minstens 12 maanden, in de 36 maanden voorafgaand aan de aanvraag, over een bedrijfswagen bij de huidige werkgever of heeft daarover beschikt (of hij/zij komt daarvoor in aanmerking).

De tweede voorwaarde is opnieuw niet van toepassing op startende werkgevers.

De werknemer die werd aangeworven, een bevordering kreeg of een functiewijziging onderging die vóór 1 maart 2019, hoeft niet aan deze voorwaarden te voldoen. In het geval hij/zij in aanmerking komt voor een bedrijfswagen, zal hij/zij zich onmiddellijk kunnen inschrijven in dit systeem.

Het feit dat een werknemer in aanmerking komt voor een bedrijfswagen, wordt bepaald door het bedrijfswagenbeleid van de werkgever. Hierbij wordt geen belang gehecht aan de individuele werknemer, wél een gehele functiecategorie.

In de praktijk betekent dit het volgende voor de werknemer die gedurende het kalenderjaar 2018 mocht beschikken over een bedrijfswagen bij zijn huidige werkgever. In de eerste maanden van 2019 verliest hij dit voordeel. De werkgever wenst het wagenpark van zijn onderneming te verkleinen en biedt met ingang van 1 januari 2020 zijn werknemers de mogelijkheid te kiezen voor het mobiliteitsbudget. De werknemer zal in principe geen beroep kunnen doen op de mobiliteitsvergoeding. Hij heeft weliswaar tijdens de 36 maanden voorafgaand aan de aanvraag minstens 12 maanden over een bedrijfswagen beschikt, doch mocht niet beschikken voor minstens 3 maanden, op datum van invoering 1 januari 2020, ononderbroken over een bedrijfswagen. Deze werd namelijk ingeleverd in de eerste maanden van 2019.

Procedure

In principe gebeurt de invoering van het mobiliteitsbudget op initiatief van de werkgever. Bij de invoering daarvan is hij verplicht informatie te verstrekken over de eventuele voorwaarden die daaraan worden gekoppeld. Binnen dat kader en die voorwaarden kan de werknemer aanvraag richten tot de werkgever. Dit doet hij schriftelijk via een brief of een e-mail. Daaropvolgend is de werkgever verplicht de berekeningswijze en het bedrag van de mobiliteitsvergoeding mee te delen. Zo heeft de werknemer nog steeds de mogelijkheid af te zien van inschrijving. Uiteindelijk beslist de werkgever al dan niet in te gaan op de aanvraag van de werknemer en brengt deze schriftelijk ter kennis.

De formele, schriftelijke aanvraag van de werknemer en de beslissing tot toekenning van de mobiliteitsvergoeding door de werkgever, vormen een overeenkomst die integraal (inhoudelijk) deel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst.

De overeenkomst moet vóór de eerste uitbetaling worden gesloten en moet een aantal gegevens bevatten.

  1. het basisbedrag van de mobiliteitsvergoeding;
  2. de cataloguswaarde van de bedrijfswagen die in aanmerking komt voor de berekening van het bedrag van de mobiliteitsvergoeding;
  3. alsook dat de werknemer die het voordeel van de mobiliteitsvergoeding geniet, geen fiscale vrijstelling meer geniet voor de verplaatsingsvergoeding die de werkgever uitbetaalt. Deze is namelijk niet cumuleerbaar.

Schematisch overzicht van de procedure

Bedrag

De mobiliteitsvergoeding is een maandelijks bedrag in geld dat bepaald wordt op basis van de waarde op jaarbasis van het gebruiksvoordeel van de ingeleverde bedrijfswagen. De waarde van het gebruiksvoordeel bedraagt 20 % van 6/7 van de cataloguswaarde van de ingeleverde bedrijfswagen, 24 % indien de werknemer ook beschikte over een tankkaart. Indien de werknemer voor de bedrijfswagen een eigen bijdrage betaalde, wordt de eigen bijdrage betaald in de laatste maand vóór de inlevering van de bedrijfswagen, omgezet op jaarbasis, in mindering gebracht van de waarde van het gebruiksvoordeel van de bedrijfswagen.

20 % van (cataloguswaarde van het voertuig – eventuele eigen bijdrage) x 6/7

Het totaalbedrag kan terloops nog worden gewijzigd. Dit onder meer door de jaarlijkse indexering van de cataloguswaarde; of door een functiewijziging of promotie.

Behandeling op sociaal gebied

Wanneer de mobiliteitsvergoeding aan alle voorwaarden voldoet, wordt ze niet beschouwd als loon. Dit betekent dat noch de werknemer, noch de werkgever de gewone socialezekerheidsbijdragen verschuldigd zijn. Enkel de werkgever is een solidariteitsbijdrage verschuldigd gelijk aan het bedrag van de bijdrage die voor de ingeruilde bedrijfswagen verschuldigd was, en dit de maand voorafgaand aan de inruiling. Dit bedrag blijft ongewijzigd, behoudens de indexering.

Indien de werknemer kon beschikken over meerdere bedrijfswagens, wordt de solidariteitsbijdrage berekend op grond van de bedrijfswagen waarover hij/zij, in de 12 maanden voorafgaand aan de inruiling, het langst over beschikt heeft.

Behandeling op fiscaal gebied

De mobiliteitsvergoeding maakt voor de werknemer een jaarlijks belastbaar voordeel uit. Dit wordt forfaitair bepaald op 4% van 6/7van de cataloguswaarde van de bedrijfswagen. De cataloguswaarde wordt bepaald op het ogenblik van vervanging. Dit voordeel wordt belast aan de progressieve tarieven. Het saldo is vrijgesteld.

Indien de werknemer kon beschikken over meerdere bedrijfswagens, wordt dezelfde regel toegepast als voor de solidariteitsbijdrage. Alleen zal in dit geval, wanneer beide periodes identiek zijn, de werkgever de keuze maken over welke bedrijfswagen in aanmerking komt voor de berekening van de mobiliteitsvergoeding.

Duur van de toekenning

De mobiliteitsvergoeding wordt toegekend zolang de werknemer geen bedrijfswagen (inclusief de voordelen zoals tankkaart) meer heeft. De betaling van de mobiliteitsvergoeding stopt wanneer de werknemer opnieuw een bedrijfswagen heeft of een nieuwe functie krijgt waarvoor geen bedrijfswagen voorzien is. De werkgever moet dan opnieuw tussenkomen in de verplaatsingskosten voor het woon-werkverkeer.

Sinds januari 2019 kunnen ook werknemers die van werk veranderen sneller instappen in het systeem van de mobiliteitsvergoeding. De werkgever overhandigt hiervoor uiterlijk op het einde van de arbeidsovereenkomst een document waarop de noodzakelijke informatie wordt gegeven voor een aanvraag of verderzetting van de mobiliteitsvergoeding. Het gaat daarbij over de periode waarin de werkgever een bedrijfswagen ter beschikking stelde, de cataloguswaarde van deze bedrijfswagen, het type brandstof, de CO2-uitstoot, de datum waarop de werknemer de bedrijfswagen heeft ingeleverd, of hij al dan niet beschikte over een tankkaart, de eventuele bijdrage van de werknemer, indien van toepassing, het bedrag van de mobiliteitsvergoeding op het einde van de arbeidsovereenkomst, alle andere elementen die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de mobiliteitsvergoeding. De werknemer overhandigt dit document dan aan zijn nieuwe werkgever.

Sancties

De werkgever die de voorwaarden van het systeem van de mobiliteitsvergoeding niet (of niet correct) naleeft, stelt zich bloot aan sancties zoals de herkwalificatie van de mobiliteitsvergoeding als loon. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de werkgever de tankkaart, wagenverzekering, verplaatsvergoeding … blijft toekennen. In dat geval zal de mobiliteitsvergoeding niet langer sociaal en fiscaal gunstig worden behandeld.

Het einde van de mobiliteitsvergoeding

Met een arrest van 23 januari 2020 luidt het Grondwettelijk Hof het einde van de mobiliteitsvergoeding of “cash-for-car” in. Het Hof stelt dat er een niet te rechtvaardigen verschil in behandeling bestaat tussen de werknemer die de mobiliteitsvergoeding niet geniet en deze die dit wel doet. In tegenstelling tot deze eerste categorie, van wie het brutoloon volledig onderworpen is aan socialezekerheidsbijdragen en belastingen, bevindt de werknemer die geniet van een mobiliteitsvergoeding, zich in een bevoorrechte positie.

De mobiliteitsvergoeding had tot doel een vermindering van het aantal (bedrijfs)wagens te realiseren. Ook deze doelstelling wordt volgens het Hof niet gewaarborgd. De werknemer beschikt namelijk vrij over het bedrag dat hem toekomt. Zo is het niet uitgesloten dat hij/zij dit bedrag alsnog aanwendt om een (privé-)wagen aan te kopen, die wellicht minstens even vervuilend zal zijn.

Voor de werknemer die reeds geopteerd had voor de mobiliteitsvergoeding, behoudt het zijn uitwerking totdat eventueel nieuwe wettelijke bepalingen in werking treden, en dit met als einddatum 31 december 2020.

Eens de mobiliteitsvergoeding definitief van de baan is, rest de werkgever slechts de mogelijkheid opnieuw een bedrijfswagen ter beschikking te stellen, ter compensatie een bepaalde (bruto)premie toe te kennen, of over te stappen naar het systeem van het mobiliteitsbudget.

Mobiliteitsbudget

Op 28 februari 2019 werd in de Kamer van Volksvertegenwoordigers de nieuwe wetgeving goedgekeurd met betrekking tot de invoering van het mobiliteitsbudget. Deze trad in werking op 1 maart 2019. Een mobiliteitsbudget is het bedrag dat de werknemer van zijn werkgever ontvangt ter compensatie van (1) het feit dat hij afziet van de bedrijfswagen waarop hij/zij aanspraak maakt, dan wel ter compensatie van (2) het feit dat hij een milieuvriendelijk en/of goedkopere bedrijfswagen krijgt dan diegene waarop hij/zij recht heeft.

Doelstelling

In tegenstelling tot de mobiliteitsvergoeding of “cash-for-car” heeft het mobiliteitsbudget niet tot doel de bedrijfswagen volledig te bannen uit het loonpakket van de werknemer. Integendeel, het streeft een multimodaliteit na. De werknemer krijgt de mogelijkheid gebruik te maken van een verscheidenheid aan transportmiddelen voor de woon-werkverplaatsingen. Dit in de vorm van besteding binnen 3 pijlers.

Voorwaarden

De beslissing tot het invoeren van het mobiliteitsbudget ligt uitsluitend bij de werkgever. Enkel binnen dat kader kan de werknemer zich hierop beroepen. Het mobiliteitsbudget gaat net zoals de mobiliteitsvergoeding uit van een systeem van vrijwilligheid voor zowel de werkgever als de werknemer. Dit betekent dat de werkgever niet verplicht is het mobiliteitsbudget in te voeren. Indien hij beslist tot implementatie daarvan, kan ook de werknemer niet verplicht worden tot het systeem toe te treden.

Werkgever

De werkgever moet onmiddellijk voorafgaand aan de invoering van het mobiliteitsbudget een ononderbroken periode van 36 maanden, één of meerdere bedrijfswagens ter beschikking hebben gesteld aan één of meerdere van zijn werknemers. Het voldoen aan deze voorwaarde wordt bepaald bij de invoering daarvan.

Voor de startende werkgever wordt een uitzondering voorzien op deze tweede voorwaarde. Mits het naleven van bepaalde voorwaarden, zal ook de ‘startende’ werkgever die minder dan 36 maanden geleden de opstart heeft gemaakt. Wel is vereist dat hij op het ogenblik van het invoeren van het mobiliteitsbudget één of meerdere bedrijfswagens ter beschikking stelt van één of meerdere van zijn werknemers.

Werknemer

Het mobiliteitsbudget gaat gepaard met een bepaalde wachtperiode. De werknemer kan zich enkel inschrijven op het mobiliteitsbudget als hij/zij voldoet aan deze voorwaarden (inclusief de voorwaarden die door de werkgever werden opgelegd).

1. De werknemer beschikt op het ogenblik waarop hij/zij een aanvraag doet, reeds gedurende een ononderbroken periode van 3 maanden effectief over een bedrijfswagen bij de huidige werkgever (of hij/zij komt daarvoor in aanmerking);

en

2. De werknemer beschikt reeds gedurende een periode van minstens 12 maanden, in de 36 maanden voorafgaand aan de aanvraag, over een bedrijfswagen bij de huidige werkgever of heeft daarover beschikt (of hij/zij komt daarvoor in aanmerking).

De tweede voorwaarde is opnieuw niet van toepassing op startende werkgevers.

De werknemer die werd aangeworven, een bevordering kreeg of een functiewijziging onderging die vóór 1 maart 2019, hoeft niet aan deze voorwaarden te voldoen. In het geval hij/zij in aanmerking komt voor een bedrijfswagen, zal hij/zij zich onmiddellijk kunnen inschrijven in dit systeem.

Het feit dat een werknemer in aanmerking komt voor een bedrijfswagen, wordt bepaald door het bedrijfswagenbeleid van de werkgever. Hierbij wordt geen belang gehecht aan de individuele werknemer, wél een gehele functiecategorie.

In de praktijk betekent dit het volgende voor de werknemer die gedurende het kalenderjaar 2018 mocht beschikken over een bedrijfswagen bij zijn huidige werkgever. In de eerste maanden van 2019 verliest hij dit voordeel. De werkgever wenst het wagenpark van zijn onderneming te verkleinen en biedt met ingang van 1 januari 2020 zijn werknemers de mogelijkheid te kiezen voor het mobiliteitsbudget. De werknemer zal in principe geen beroep kunnen doen op de mobiliteitsvergoeding. Hij heeft weliswaar tijdens de 36 maanden voorafgaand aan de aanvraag minstens 12 maanden over een bedrijfswagen beschikt, doch mocht niet beschikken voor minstens 3 maanden, op datum van invoering 1 januari 2020, ononderbroken over een bedrijfswagen. Deze werd namelijk ingeleverd in de eerste maanden van 2019.

Procedure

In principe gebeurt de invoering van het mobiliteitsbudget op initiatief van de werkgever. Bij de invoering daarvan is hij verplicht informatie te verstrekken over de eventuele voorwaarden die daaraan worden gekoppeld. Binnen dat kader en die voorwaarden kan de werknemer een aanvraag richten tot de werkgever. Dit doet hij schriftelijk via een brief of een e-mail. Daaropvolgend is de werkgever verplicht de berekeningswijze en het bedrag van het mobiliteitsbudget mee te delen. Zo heeft de werknemer nog steeds de mogelijkheid af te zien van inschrijving. Uiteindelijk beslist de werkgever al dan niet in te gaan op de aanvraag van de werknemer en brengt deze schriftelijk ter kennis.

De formele, schriftelijke aanvraag van de werknemer en de beslissing tot toekenning van het mobiliteitsbudget door de werkgever, vormen een overeenkomst die integraal (inhoudelijk) deel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst.

De overeenkomst moet vóór de eerste uitbetaling worden gesloten en moet het oorspronkelijk bedrag van het mobiliteitsbudget vermelden.

Bedrag

Bij de berekening van de omvang van het mobiliteitsbudget wordt rekening gehouden met de jaarlijkse bruto kostprijs voor de werkgever van de (fictieve) bedrijfswagen en toebehoren die worden ingeruild. In de praktijk wordt vaak de term Total Cost Ownership (TCO) gehanteerd. Dit in tegenstelling tot het mobiliteitsbudget, waarbij de vergoeding wordt berekend op basis van het gebruiksvoordeel van de ingeleverde bedrijfswagen.

De jaarlijkse bruto kostprijs omvat de fiscale en parafiscale lasten, alsook de aan de bedrijfswagen verbonden kosten zoals de financieringskosten, de brandstofkosten, de kost van verzekeringen en de solidariteitsbijdrage. Dit geldt ook voor de kost van de carwash, stalling van of parking voor de bedrijfswagen indien dit deel uitmaakt van de car policy.

In het geval de werkgever eigenaar is van de bedrijfswagen wordt de financieringskost vervangen door een jaarlijkse afschrijving van 20%.

In het geval de werknemer een eigen bijdrage betaalt voor de bedrijfswagen, wordt deze in rekening gebracht van de jaarlijkse bruto kostprijs.

De jaarlijkse bruto kostprijs of TCO wordt bepaald per individuele werknemer in functie van de wagenkeuze en het verbruik van elke individuele werknemer afzonderlijk. Indien de werknemer pas later instroomt in het systeem van het mobiliteitsbudget, bijvoorbeeld bij nieuwe aanwerving of promotie, wordt de fictieve bedrijfswagen verbonden aan de functiecategorie in rekening gebracht zoals bepaald in de car policy.

  De werkgever heeft de mogelijkheid het mobiliteitsbudget te berekenen op basis van een referentiebedrijfswagen gekoppeld aan een bepaalde functiecategorie. Dit in plaats van de ingeruilde bedrijfswagen. Vereist is dat hij deze methode toepast op alle werknemers.

Eenmaal dit bedrag is vastgesteld, kan de werknemer zijn mobiliteitsbudget (vrij) besteden aan één van de 3 pijlers. Let wel, ook hier zijn een aantal beperkingen voor de cumulatie van de voordelen.

1.  Eerste pijler: een milieuvriendelijke bedrijfswagen

De werknemer heeft de mogelijkheid een deel van zijn of haar budget te besteden aan de aankoop van een milieuvriendelijke bedrijfswagen. Hij kan daarbij kiezen voor een volledig elektrische bedrijfswagen of een bedrijfswagen die beantwoord aan een aantal cumulatieve voorwaarden waaronder een maximale CO2-uitstoot van 100 g/km (voor wie instapt vanaf 1 januari 2020) of 95 g/km (voor wie instapt vanaf 1 januari 2021); een emissienorm voor luchtverontreinigende stoffen die minimaal voldoet aan de norm van toepassing voor nieuwe voertuigen of een later op te leggen norm (behalve voor eindreeksen). Indien de werknemer kiest voor een oplaadbaar hybride voertuig, moet de elektrische batterij een energiecapaciteit hebben van minimaal 0,5 kWh per 100 kilogram.

De milieuvriendelijke bedrijfswagen moet op deze voorwaarden minstens evengoed scoren als de ingeruilde bedrijfswagen.

2.  Tweede pijler: alternatieve en duurzame vervoersmiddelen

Het saldo van het mobiliteitsbudget dat de werknemer niet spendeert in de eerste pijler, kan worden aangewend in de tweede pijler voor alternatieve en duurzame vervoersmiddelen.

Vooreerst kan de werknemer kiezen voor vervoersmiddelen in het kader van de zachte mobiliteit. Het gaat dan bijvoorbeeld over de aankoop, huur, leasing, het onderhoud en de verplichte uitrusting voor alle type van (gemotoriseerde) fietsen, step, monowheel, bromfietsen (al dan niet elektrisch) en de daarbij verplicht horende helm of beschermende kledij. Deze toestellen mogen wel maximaal 45 kilometer per uur kunnen rijden.

Daarnaast kan hij/zij kiezen voor het openbaar vervoer. Zo kan een deel van het budget gespendeerd worden aan abonnementen voor woon-werkverplaatsingen op naam van de werknemer alsook een dag-ticket. In bepaalde gevallen zal de werknemer ook een aantal huisvestingskosten kunnen opnemen in zijn pakket. Zo worden huurgelden en interesten van een hypothecaire lening voor de woonplaats gelegen binnen een straal van 5 kilometer van de normale plaats van tewerkstelling, aanvaard in de tweede pijler.

De werknemer kan naast de ‘klassieke’ alternatieve en duurzame vervoersmiddelen, ook steeds kiezen voor de zogenaamde deeloplossingen. Het gaat daarbij onder meer over deelauto’s, deelfietsen en het gebruik van taxi’s.

3.  Derde pijler: Saldo cash

Het saldo dat de werknemer niet besteed in de eerste en/of de tweede pijler, wordt eenmaal per jaar in geld uitbetaald.

Behandeling op sociaal en fiscaal gebied

1.  Eerste pijler: milieuvriendelijke bedrijfswagen

De milieuvriendelijke bedrijfswagen wordt onderworpen aan eenzelfde regime als de normale bedrijfswagen. Dit betekent dat noch de werknemer, noch de werkgever socialezekerheidsbijdragen verschuldigd zijn. Er is enkel een solidariteitsbijdrage ten laste van de werkgever verschuldigd. Deze solidariteitsbijdrage wordt – in de vorm van een forfaitaire bijdrage – gekoppeld aan het CO2-uitstootgehalte van het voertuig en van het type brandstof dat wordt gebruikt. Het aantal kilometers, evenals het feit of de werknemer al dan niet zelf financieel tussenkomst, is irrelevant.

Daarnaast maakt de milieuvriendelijke bedrijfswagen ook een voordeel in natura, belastbaar in hoofde van de werknemer, uit. Sinds 1 januari 2012 wordt dat voordeel van alle aard van het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig (op jaarbasis) berekend door een CO2-percentage toe te passen op 6/7 van de cataloguswaarde van het kosteloos ter beschikking gestelde voertuig.

  Voor de berekening van dit voordeel van alle aard wordt verwezen naar de uitleg over de normale bedrijfswagen.

2.  Tweede pijler: alternatieve en duurzame vervoersmiddelen

De alternatieve en duurzame vervoersmiddelen worden volledig vrijgesteld van socialezekerheidsbijdragen. Dit zowel voor de werknemer als voor de werkgever. Ze zijn daarnaast volledig onbelast in hoofde van de werknemer en volledig aftrekbaar bij de werkgever.

3.  Derde pijler: saldo cash

Het saldo in cash wordt in hoofde van de werknemer onderworpen aan een bijzondere socialezekerheidsbijdrage ten belope van 38,07 % (som van de 13,07 % werknemersbijdrage en 25 % werkgeversbijdrage). In ruil voor die bijdrage wordt het saldo opgenomen in de berekeningsbasis voor de ziekte- en werkloosheidsuitkering alsook voor het pensioen. De werkgever is daarentegen geen socialezekerheidsbijdragen verschuldigd.

Het saldo in cash maakt voor de werknemer beroepsinkomsten, volledig vrijgesteld van belasting uit. Het is volledig aftrekbaar bij de werkgever.

Duur van de toekenning

De toekenning van het mobiliteitsbudget zal eindigen ten laatste de eerste dag van de maand waarin de werknemer een (nieuwe) functie uitoefent waarvoor hij/zij niet in aanmerking komt voor een bedrijfswagen; beschikt over een mobiliteitsvergoeding; of opnieuw beschikt over een normale bedrijfswagen waarbij het gebruik voor privéverplaatsingen toegelaten is. Deze laatste bedrijfswagen is anders dan diegene die hij/zij eventueel gekozen heeft in de eerste pijler van het mobiliteitsbudget.

De werknemer die recht heeft op zijn gewaarborgd loon tijdens een periode van (langdurige) afwezigheid wegens ziekte, behoud het mobiliteitsbudget. Dit gedurende de eerste periode van 30 dagen, nadien volgens hetgeen bepaald wordt in de car policy van de werkgever.

Opvolging

Het mobiliteitsbudget wordt virtueel ter beschikking gesteld aan de werknemer. Dit via een online tool of applicatie op de telefoon. In ieder geval heeft de werknemer op elk ogenblik toegang tot bepaalde inlichtingen over de stand van zijn mobiliteitsbudget zoals zijn identiteitsgegevens, zijn functiecategorie en de datum waarop hij is toegetreden, het initiële startbedrag, hetgeen reeds besteed werd in de tweede pijler, de beheerskosten, de geldigheidsdatum, het beschikbare saldo en de aanpassingen van het initiële bedrag bij een promotie of een functiewijziging.

Verbod op cumulatie

Het mobiliteitsbudget mag niet worden gecombineerd met de vrijstelling van verplaatsingsvergoeding voor het openbaar gemeenschappelijk vervoer, de vrijstelling van de verplaatsingsvergoeding voor het gemeenschappelijk vervoer van personeelsleden georganiseerd door de werkgever, de vrijstelling van de fietsvergoeding alsook deze voor terbeschikkingstelling van een bedrijfsfiets.

Indien de werknemer reeds gedurende 3 maanden vóór de aanvraag, de bedrijfswagen cumuleerde met één van deze vrijgestelde verplaatsingsvergoedingen, mag deze wel cumuleren met het mobiliteitsbudget. Dit met behoud van de bijzondere sociaal en fiscale behandeling.

Sancties

De werkgever die de voorwaarden van het systeem van het mobiliteitsbudget niet (of niet correct) naleeft, stelt zich bloot aan sancties zoals de herkwalificatie van het mobiliteitsbudget als loon.

Dit zal onder meer het geval zijn wanneer het mobiliteitsbudget wordt gebruikt voor het inruilen van meer dan één bedrijfswagen. Hetzelfde gebeurt voor de werkgever die het mobiliteitsbudget toekent ter gehele of gedeeltelijke vervanging of omzetting van loon, premies, voordelen in natura of enig ander voordeel of aanvulling. Er bestaat weliswaar een uitzondering voor het loon of voordelen verkregen in ruil voor de bedrijfswagen zoals blijkt uit de individuele arbeidsovereenkomst.

Hetzelfde geldt voor het geval waarin enkel beroep wordt gedaan op de uitbetaling in de derde pijler. Hiervoor doet de werkgever best beroep op de mobiliteitsvergoeding of de cash-for-car-regeling.

Ook stelt de werkgever waarvan de overeenkomst ontbreekt of niet voldoet aan de wettelijk voorgeschreven bepalingen, zich bloot aan een sanctie van niveau 1, namelijk een administratieve geldboete ten belope van 80 tot 800 euro, vermenigvuldigd met het aantal werknemers, met een maximum van 80.000 euro.

Mobiliteitsbudget in de praktijk

Mark woont in Sint-Niklaas en werkt in Antwerpen. Hij rijdt momenteel met een BMW 218i Coupé. De werkgever stelt ook een tankkaart ter beschikking. De wagen rijdt op benzine en heeft een cataloguswaarde van om en bij de 31.900,00 euro. De bedrijfswagen heeft een CO2-uitstoot van 137 g/km en een (geschatte) jaarlijkse bruto kostprijs of TCO van 9.750,00 euro.

De werkgever aanvaardt Mark zijn verzoek om toe te treden tot het systeem van het mobiliteitsbudget. Hij krijgt aldus een virtueel budget van 9.750,00 euro ter beschikking. Daarmee stelt hij volgend pakket samen.

1.  Eerste pijler: milieuvriendelijke bedrijfswagen

Mark kiest voor een Volkswagen UP! met een benzinemotor, cataloguswaarde van 15.520,00 euro en een CO2-uitstoot van 95 g/km. De (geschatte) jaarlijkse bruto kostprijs of TCO bedraagt 5.360,00 euro. Daarmee heeft hij nog 4.390,00 euro om (al dan niet) te besteden in de tweede pijler.

2.  Tweede pijler: alternatieve en duurzame vervoersmiddelen

Mark kiest voor een jaarabonnement  bij de NMBS voor een bedrag van 750,00 euro. Daarnaast doet hij nog beroep op een Segway voor een bedrag van 500,00 euro alsook een elektrische fiets voor een bedrag van 1.500,00 euro. Een fietsvergoeding voor een bedrag van 48,00 euro wordt daaraan toegevoegd.

3.  Derde pijler: saldo in cash

Mark heeft een resterende budget waarvan de bruto waarde cash zal worden uitbetaald. Dit voor een bedrag van 1.592,00 euro.

Mark betaalt op de derde pijler een bijzondere socialezekerheidsbijdrage van 38,07 %. Dit betekent dat hem een bedrag van 985,93 euro netto (1.592,00 – 606,07 euro) zal worden uitbetaald.

FAQ

Bij de invoering van het mobiliteitsbudget, creëerden de FOD WASO, de FOD Financiën, de FOD Sociale Zekerheid en de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid een interactieve website met heel wat FAQ’s over het mobiliteitsbudget.

De website mobiliteitsbudget.be wordt regelmatig aangevuld en aangepast, en bevat een antwoord op de meest gestelde vragen uit de praktijk. Deze FAQ is niet bindend voor de werknemer, toch kunnen de partijen ervan op aan dat de bevoegde instanties er naar zullen handelen. Het is aan te raden de FAQ regelmatig te consulteren. De website is namelijk enkel raadpleegbaar in haar meest recente versie.


[1]Rabat is een prijsvermindering toegekend omdat de goederen beschadigd, verkeerd of te laat geleverd werden.

[2]Restorno is een globale prijsvermindering toegekend op het einde van het jaar, bijvoorbeeld omdat een vooropgesteld aankoopcijfer werd bereikt.