Inleiding

De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) gaat in essentie na of fysieke personen al dan niet onderworpen zijn aan de sociale zekerheid van de werknemers. Tevens wordt nagegaan of op bepaalde voordelen al dan niet socialezekerheidsbijdragen betaald moeten worden. Een belangrijk gegeven voor de praktijk is dat de RSZ niet onbeperkt in de tijd kan teruggaan om achterstallige socialezekerheidsbijdragen te claimen.

Schuldvorderingen van de RSZ op de werkgevers (of zijn lasthebbers zoals een sociaal secretariaat) verjaren na drie jaar met uitzonderingen van de schuldvorderingen van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid die  het gevolg zijn van ambtshalve regularisaties na de vaststelling, bij de werkgever, van bedrieglijke handelingen of valse of opzettelijk onvolledige aangiften, zij verjaren na 7 jaar (art. 42 RSZ-wet dd. 27 juni 1969).

RSZ-bijdragen worden eisbaar de laatste dag van de maand die volgt op het kwartaal waarop de bijdragen betrekking hebben.

De verjaringstermijn van drie jaar loopt in de regel vanaf de dag waarop de bedragen eisbaar zijn geworden.

Voor achterstallen en beëindigingsvergoedingen geldt een bijzondere termijn voor de betaling, die dan ook als aanvangstijdstip van de verjaring geldt.

De loonachterstallen en beëindigingsvergoedingen moeten uiterlijk worden aangegeven in de maand volgend op het kwartaal waarin de beëindigingsvergoeding of de loonachterstallen verschuldigd zijn, erkend zijn door de werkgever of erkend zijn door een in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing.

De verjaringstermijn begint te lopen op de eerste dag van de tweede maand volgend op het kwartaal waarin de verbrekingsvergoeding of de loonachterstallen verschuldigd waren, erkend werden door de werkgever of erkend werden door een in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing.

Opmerking
De strafvordering wegens overtreding van de bepalingen van de RSZ-wet en haar uitvoeringsbesluiten verjaart vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan.