Tussenkomende partijen

Werknemers en leden van de hiërarchische lijn

Werknemers en leden van de hiërarchische lijn spelen een belangrijke rol in het preventief welzijnsbeleid. De werkgever moet de nodige maatregelen nemen om hen te informeren over o.a. de risicoanalyse, de preventiemaatregelen, de procedures enz. Hij moet er eveneens voor zorgen dat zowel werknemers als leden van de hiërarchische lijn de nodige opleidingen krijgen om alle maatregelen, procedures, rechten en plichten adequaat te kunnen toepassen.

Werknemers moeten overeenkomstig hun opleiding en de door de werkgever gegeven instructies zorg dragen voor hun eigen veiligheid en gezondheid, alsook voor die van andere betrokken personen. De Welzijnswet voorziet niet in sancties indien een werknemer faalt om op een positieve manier bij te dragen aan het preventiebeleid tegen grensoverschrijdend gedrag.

Leden van de hiërarchische lijn spelen een belangrijke rol aangezien zij een rechtstreeks aanspreekpunt voor de werknemer zijn indien deze laatste meent het slachtoffer te zijn van een psychosociaal risico. Een lid van de hiërarchische lijn dient in dat geval een luisterend oor te bieden en de werknemer in kwestie te informeren over alternatieve oplossingen. Bovendien moeten zij ook zelf aandachtig zijn voor signalen die kunnen aantonen dat er zich een psychosociaal probleem voordoet. In dat geval dient het lid van de hiërarchische lijn te waken over de tijdige behandeling van dit probleem.

De vertrouwenspersoon

Mits voorafgaand akkoord van alle leden-vertegenwoordigers van de personeelsleden binnen het comité kan een werkgever een of meer vertrouwenspersonen aanwijzen. Indien er geen akkoord is, wordt het advies gevraagd van de Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk. Volgt de werkgever dit advies niet, dan moet de werkgever zijn beslissing verantwoorden tegenover het CPBW.

De werkgever kan dus tegen het advies van de directie een vertrouwenspersoon aanduiden, voor zover hij de redenen waarom hij het advies niet volgt, meedeelt aan het CPBW. De werkgever is echter verplicht om een vertrouwenspersoon aan te duiden wanneer alle leden-vertegenwoordigers van het personeel binnen het comité hierom verzoeken.

De vertrouwenspersoon moet niet noodzakelijk deel uitmaken van het personeel. Alleen indien de werkgever meer dan 20 werknemers heeft en een beroep doet op een preventieadviseur psychosociale aspecten van een externe dienst, moet wel een vertrouwenspersoon onder het personeel worden gekozen. Het is inderdaad noodzakelijk dat de vertrouwenspersoon de interne werking van de onderneming goed kent en dat hij gemakkelijk toegankelijk is voor de werknemers. De vertrouwenspersoon mag geen nadeel ondervinden van zijn activiteiten als vertrouwenspersoon. De vertrouwenspersoon is bovendien in principe gebonden door het beroepsgeheim.

Sinds de wetswijziging van 2014 zijn de bevoegdheden van de vertrouwenspersoon sterk ingeperkt. Hij is dan wel bevoegd voor alle psychosociale risico’s op het werk maar alleen wat het informele gedeelte betreft. Het is dus alleen mogelijk om  een verzoek tot informele psychosociale interventie bij de vertrouwenspersoon in te dienen. De vertrouwenspersoon is hierbij gebonden door het beroepsgeheim.

De vertrouwenspersoon is in het bijzonder belast met de volgende taken:

  • deelnemen aan de uitwerking van de te volgen procedures in geval van geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk;
  • raad geven en opvang, hulp en de vereiste bijstand bieden aan de slachtoffers en, in voorkomend geval, op informele wijze deelnemen aan het zoeken van een oplossing;
  • de gegevens die noodzakelijk zijn voor het opstellen van het jaarverslag bezorgen aan de preventieadviseur van de interne dienst;
  • het ontvangen en opvolgen van een verzoek tot informele interventie;
  • meedelen van de gegevens van de incidenten die zich herhaaldelijk voordoen aan de preventieadviseur.

De vertrouwenspersoon staat in constante verbinding met de PAPA. Zij wisselen voldoende informatie uit en plegen regelmatig overleg. Bovendien beschikt hij over de mogelijkheid om deel te nemen aan vergaderingen van het CPBW.

De functie van vertrouwenspersoon kan niet worden uitgeoefend door de volgende personen:

  • de werkgevers- of werknemersvertegenwoordigers in de ondernemingsraad of het comité voor preventie en bescherming op het werk;
  • de kandidaten voor de verkiezingen van de personeelsafgevaardigden;
  • de vakbondsafgevaardigden;
  • het leidinggevend personeel;
  • de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer.

Ten slotte bepaalt het KB van 10 april 2014 dat elke vertrouwenspersoon binnen twee jaar na aanstelling over de nodige deskundigheid moet beschikken. Hij moet hiervoor de mogelijkheid krijgen om bepaalde opleidingen te volgen, waaronder een jaarlijkse opvolgingsopleiding. Onder bepaalde voorwaarden geldt de verplichting tot het volgen van een opleiding van minstens 5 dagen niet voor de vertrouwenspersonen die werden aangeduid vóór 1 september 2014.

Preventieadviseur psychosociale aspecten (PAPA)

Elke werkgever moet beschikken over een PAPA die ofwel deel uitmaakt van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk van de onderneming, ofwel van de externe dienst waarbij de onderneming is aangesloten.

In ondernemingen met minder dan 50 werknemers moet steeds een beroep worden gedaan op een preventieadviseur psychosociale aspecten verbonden aan een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk.

Telt de onderneming 50 werknemers of meer, dan moet de werkgever op basis van het globaal preventieplan en na voorafgaand advies van het CPBW nagaan of hij voor het aspect van psychosociale risico’s een beroep zal doen op een interne of een externe PAPA. Kiest hij voor een PAPA die deel zal uitmaken van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk, dan wordt die aangeduid met het akkoord van alle werknemersvertegenwoordigers in het CPBW. Wordt dit akkoord niet verkregen, dan vraagt de werkgever de tussenkomst van de Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg die de partijen zal proberen te verzoenen. Kan die de partijen niet verzoenen, dan zal deze dienst een advies verstrekken dat door de werkgever moet worden meegedeeld aan het comité. Leidt dit advies evenmin tot een akkoord, dan moet een preventieadviseur van een externe dienst worden aangeduid.

De PAPA dient aan bepaalde voorwaarden te voldoen om deze functie te kunnen vervullen. Hij dient onder meer houder te zijn van een einddiploma universitair onderwijs of hoger onderwijs op universitair niveau waarvan het curriculum een belangrijk aandeel psychologie en sociologie omvat en met een eerste specialisatie in de domeinen van arbeid en organisatie. Bovendien moet de preventieadviseur vijf jaar ervaring bewijzen op het vlak van de psychosociale aspecten op het werk.

De PAPA is bevoegd tot het geven van raad, opvang en het op informele wijze zoeken van oplossingen. Bovendien behoren ook de volgende zaken tot zijn takenpakket:

  • de uitwerking van de risicoanalyses (zie hierna);
  • ontvangen van de met redenen omklede klachten en de getuigenverklaringen, en de werkgever op de hoogte brengen van de identiteit van de personen die, omdat zij  een verklaring hebben afgelegd, beschermd zijn tegen ontslag;
  • onderzoek naar de met redenen omklede klachten en de werkgever maatregelen voorstellen om een einde te maken aan het geweld, de pesterijen en het ongewenst seksueel gedrag op het werk;
  • zich, met akkoord van de werknemer, wenden tot de Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk, wanneer de klachten aanhouden of de werkgever niet de noodzakelijke maatregelen neemt;
  • advies uitbrengen over de diensten of instellingen waarop de werkgever een beroep kan doen om te voorzien in passende psychologische begeleiding van de slachtoffers;
  • een individueel dossier naar aanleiding van een verzoek tot interventie samenstellen en bijhouden.

De PAPA mag geen preventieadviseur zijn die bevoegd is voor de uitoefening van de arbeidsgeneeskunde. Bovendien mag hij, indien hij deel uitmaakt van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk, niet behoren tot het leidinggevend personeel.

Schema

Arbeidsgeneesheer

Het Koninklijk Besluit van 10 april 2014 heeft een nieuwe samenwerking tussen de PAPA en de arbeidsgeneesheer in het leven geroepen.

De arbeidsgeneesheer wordt geacht jaarlijks anonieme en collectieve informatie aan de PAPA of de werkgever mee te delen. Het betreft informatie die nuttig kan zijn voor de evaluatie van de preventieve maatregelen. Bovendien kan de arbeidsgeneesheer die bij een gezondheidstoezicht constateert dat de gezondheidstoestand van een werknemer is aangetast en dat dit zou kunnen voortvloeien uit een psychosociaal risico, met akkoord van de werknemer in kwestie, contact opnemen met de PAPA. Zij kunnen in dat geval overleg plegen over de mogelijkheden tot ander werk of over het aanpassen van de werkpost. Let wel: dat is alleen mogelijk mits akkoord van de werknemer. In ieder geval licht de arbeidsgeneesheer de werknemer in over de mogelijkheden tot interventie. Tot slot kan, in het kader van een verzoek tot formele interventie, het advies van de PAPA aan de arbeidsgeneesheer worden overgemaakt indien de werknemer hiermee instemt en indien  de arbeidsgeneesheer deze werknemer voorafgaandelijk heeft onderzocht.

Comité Preventie en Bescherming op het Werk (CPBW)

Het Koninklijk Besluit van 10 april 2014 versterkt de rol van dit overlegorgaan bij de preventie van de psychosociale risico’s op het werk. Het comité beschikt over een algemene bevoegdheid om een voorafgaand advies uit te brengen over de elementen van de arbeidsorganisatie, de arbeidsinhoud, de arbeidsvoorwaarden, de arbeidsomstandigheden en de interpersoonlijke relaties op het werk die aanleiding kunnen geven tot psychosociale risico’s op het werk. Dit advies is beperkt tot de gevolgen die deze elementen kunnen hebben voor het welzijn van de werknemers. Bovendien kan het CPBW, indien ten minste een derde van de werknemersvertegenwoordigers in het comité erom verzoekt, de werkgever verplichten om een risicoanalyse uit te voeren van een specifieke arbeidssituatie. De werkgever is ook verplicht om het comité informatie te geven over het welzijnsbeleid met betrekking tot de psychosociale aspecten. Hij moet bovendien ook zorgen voor de nodige opleidingen van het comité.

Ben je aangemeld, dan kan je per artikel één woord, zin, of paragraaf markeren en persoonlijke notities toevoegen.
We hebben uw bericht ontvangen