Jaarlijkse vakantie

Omschrijving

Het recht op vakantie van een werknemer in het jaar waarin de vakantie wordt genomen, ‘het vakantiejaar’, wordt bepaald door de prestaties die hij heeft geleverd in het daaraan voorafgaande jaar, ‘het vakantiedienstjaar’..

Recht op vakantie in het vakantiejaar 2016 ontstaat dus door prestaties geleverd in het vakantiedienstjaar 2015. Op dit principe bestaat wel een uitzondering voor de zogeheten ‘Europese vakantie’ bij het begin of het hervatten van een activiteit.

Onder prestaties verstaat men niet alleen de dagen waarop effectief gewerkt werd, en de dagen waarop de werknemer afwezig was en waarvoor de werkgever een loon, onderworpen aan RSZ, betaald heeft (bv. feestdagen), maar tevens de daarmee gelijkgestelde periodes waarvoor geen loon onderworpen aan RSZ werd betaald (bv. betaald educatief verlof).

De duur van de jaarlijkse vakantie

De jaarlijkse vakantie is zowel voor bedienden als voor arbeiders beperkt tot vier weken. In een stelsel van zesdaagse werkweken zijn dit 24 dagen en in een stelsel van vijfdaagse werkweken 20 dagen.
Het spreekt voor zich dat de werkgever altijd meer dan deze 20 of 24 vakantiedagen kan toekennen als hij dat wenst.

De berekening van het aantal dagen waarop men recht heeft, verschilt naargelang de beroepscategorie.

Arbeiders

Voor de arbeiders neemt men de gepresteerde dagen en de daarmee gelijkgestelde dagen uit het vakantiedienstjaar in rekening. De gedeelten van een dag, gelijk aan of meer dan een halve dag, worden voor de berekening als een volledige dag beschouwd; de gedeelten van minder dan een halve dag komen niet in aanmerking.

Het aantal dagen waarop de arbeider recht heeft, wordt vermeld op het vakantieattest afgeleverd door de vakantiekas.

Aangezien het aantal dagen vakantie op dit vakantieattest steeds uitgedrukt is alsof de arbeider tewerkgesteld is in een stelsel van vijfdaagse werkweken, moet de werkgever van een arbeider die in een ander stelsel werkzaam is, de omrekening maken.

Bedienden

In het kader van de berekening van het aantal dagen vakantie van bedienden gaat men ervan uit dat iedere gewerkte of daarmee gelijkgestelde maand recht geeft op twee vakantiedagen. Hier wordt de berekening gemaakt vanuit een stelsel van zesdaagse werkweken. Om het aantal dagen voor bedienden tewerkgesteld in een stelsel van vijfdaagse werkweken te krijgen, brengt men per schijf van zes vakantiedagen één dag in mindering.  Voor een volledig jaar in een zesdaagse werkweek heeft men dus recht op 24

dagen vakantie, terwijl dat in een vijfdaagse werkweek 20 vakantiedagen is.

Een onvolledig gepresteerde maand wordt in principe als een volledig gewerkte maand meegeteld. Wanneer er echter sprake is van meerdere onvolledig gepresteerde maanden, dan worden deze voor de berekening samengevoegd. Komt men na deze samenvoeging nog steeds niet aan een volledige maand, dan is men niet meer verplicht deze maand op te nemen in de berekening.

Deeltijdse werknemers

Wat betreft deeltijdse werknemers, wordt een afweging gemaakt tussen het aantal dagen waarop zij recht hadden in het licht van het arbeidsregime waarin zij tewerkgesteld waren in het vakantiedienstjaar, en het aantal dagen waarop zij recht zouden hebben volgens het regime van het vakantiejaar.

Wanneer een deeltijdse werknemer tijdens zijn vakantiedienstjaar nog in een voltijds regime tewerkgesteld was, kan hij tijdens het vakantiejaar waarin hij deeltijds actief is, niet méér dagen opnemen dan volgens dit deeltijdse regime.

Voorbeeld

Een werknemer werkt tijdens het vakantiedienstjaar 2015 voltijds. Vanaf 1 januari van het vakantiejaar 2016 schakelt hij over naar een 4/5 tewerkstelling. Hij heeft dan recht op 12 maanden x 2 dagen = 24 dagen x 5/6= 20 dagen x 4/5= 16 vakantiedagen.

Wanneer hij echter deeltijds werkte in het vakantiedienstjaar en in het vakantiejaar als voltijdse aan de slag is, wordt zonder meer het algemene principe toegepast, zodat het aantal dagen bepaald wordt volgens zijn deeltijdse tewerkstelling tijdens het vakantiedienstjaar, ongeacht zijn huidige voltijdse arbeidsregime.

Voorbeeld

Een werknemer werkt tijdens het vakantiedienstjaar 2015 halftijds. Vanaf 1 januari van het vakantiejaar 2016 werkt hij opnieuw voltijds. Hij heeft dan recht op 12 maanden x 2 dagen = 24 dagen x 5/6 = 20 dagen x 1/2 = 10 vakantiedagen.

Wanneer het arbeidsrooster van de deeltijdse werknemer volledig variabel is (zowel tijdens het vakantiedienstjaar als tijdens het vakantiejaar), dan wordt de vakantieduur in uur uitgedrukt.

De opname van de jaarlijkse vakantie

Geen overdracht

Zowel voor arbeiders als voor bedienden geldt de basisregel dat de vakantie niet overgedragen kan worden naar het volgende jaar. De vakantiedagen moeten dus opgenomen worden vóór 31 december van het vakantiejaar, zo niet gaan de vakantiedagen onherroepelijk verloren.

Belangrijk hierbij is dat de werkgever, in geval van betwisting, steeds moet kunnen bewijzen dat hij de opname van vakantiedagen niet heeft verhinderd of bemoeilijkt.

Als enige uitzondering op het basisverbod op overdracht van vakantiedagen worden omstandigheden in aanmerking genomen die buiten de wil van de werkgever vallen. Zo kunnen bijvoorbeeld een langdurige ziekte, een ongeval, zwangerschapsrust enzovoort, verhinderen dat de werknemer zijn vakantie opneemt in het vakantiejaar. In dergelijke gevallen is er weliswaar geen sprake van overdracht naar een volgend jaar, maar zal de werkgever wel overgaan tot uitbetaling van de niet-opgenomen vakantiedagen.

Collectieve vastlegging van de vakantieperiode

In bepaalde sectoren is het gebruikelijk dat de vakantiedagen collectief worden vastgelegd. Onder meer in de bouwsector is dit een wijd verspreid gebruik.

De periode van deze jaarlijkse collectief vastgelegde vakantie moet worden opgenomen in het arbeidsreglement.

Individuele vaststelling van de vakantie

Wanneer de vakantie individueel wordt vastgelegd, is het akkoord van de werkgever steeds vereist. Hierbij mag echter niet uit het oog verloren worden dat:

  • de werknemer steeds een ononderbroken vakantieperiode moet krijgen van één week;
  • de werknemer de mogelijkheid moet krijgen om tussen 1 mei en 31 oktober twee weken ononderbroken vakantie te nemen;
  • gezinshoofden de mogelijkheid moeten krijgen om hun vakantie op te nemen tijdens de schoolvakanties.

De werknemer moet bij het bepalen van zijn vakantieperiodes steeds rekening houden met de noodwendigheden van het bedrijf van zijn werkgever. De productie mag niet worden belemmerd en de continuïteit moet worden gevrijwaard.

Neemt een werknemer toch, ondanks de uitdrukkelijke weigering van de werkgever, vakantie op in een bepaalde periode, dan kan dit volgens bepaalde rechtspraak een dringende reden tot ontslag vormen.

Opmerking
Het nemen van halve vakantiedagen is in principe verboden, behoudens indien de halve dagen vakantie aangevuld worden met een halve dag gewone rust of indien de werknemer vraagt om drie dagen van de vierde week vakantie te verdelen over halve dagen.

Het vakantiegeld

Het vakantiegeld bestaat zowel voor arbeiders als voor bedienden uit een enkel en een dubbel vakantiegeld. Het enkele vakantiegeld moet worden begrepen als de gewone doorbetaling van het loon en het dubbele vakantiegeld als een toemaatje.

Wat betreft de berekening van het vakantiegeld, kan men in grote lijnen stellen dat elke vakantieweek 2% van het jaarloon vertegenwoordigt, wat maakt dat het enkele vakantiegeld 8% uitmaakt en het dubbele vakantiegeld op een soortgelijk percentage neerkomt.

Er moet wel een onderscheid gemaakt worden tussen arbeiders en bedienden op het vlak van uitbetaling. Bij arbeiders gebeurt de betaling immers door de vakantiekas met RSZ-geld en bij de bedienden gaat de betaling rechtstreeks van de werkgever zelf uit.

Arbeiders

Arbeiders ontvangen van hun vakantiekas een vakantiecheque of storting op het ogenblik dat zij hun hoofdvakantie nemen, maar ten vroegste op 2 mei.

Het vakantiegeld voor arbeiders bedraagt 15,38% van de brutobezoldiging aan 108% van het vakantiedienstjaar, en wordt eventueel vermeerderd met een fictief loon voor de gelijkgestelde dagen.

Arbeiders kunnen via de portaalsite van de sociale zekerheid (www.socialsecurity.be) hun eigen vakantiegegevens raadplegen en ook bepaalde gegevens inbrengen en wijzigen zoals onder meer hun bankrekening.

Bedienden

  • Tijdens de tewerkstelling
  • Vast loon

    De bediende ontvangt van zijn werkgever het enkel vakantiegeld, zijnde de doorbetaling van zijn normale loon, en het dubbel vakantiegeld, gelijk aan 92% van zijn normale brutomaandwedde van de maand waarin de hoofdvakantie wordt opgenomen.

    De uitbetaling gebeurt in principe in de maand van de opname van de hoofdvakantie. Concreet wordt in de meeste bedrijven het vakantiegeld voor alle bedienden echter op hetzelfde ogenblik uitbetaald.

    Variabel loon

    Wanneer de bediende geheel of gedeeltelijk variabel beloond wordt, berekent men het enkele vakantiegeld op basis van het daggemiddelde van het variabele loon van de twaalf maanden die aan de berekening voorafgaan. Dit daggemiddelde wordt vermenigvuldigd met het aantal dagen vakantie.

    Het dubbele vakantiegeld wordt verkregen door 92% te nemen van het gemiddelde variabele loon van de voorbije twaalf maanden.

    Inhoudingen

    Op het enkele vakantiegeld worden de gebruikelijke RSZ-werknemersbijdrage en de bedrijfsvoorheffing ingehouden.

    Van het dubbel vakantiegeld moet de bediende een solidariteitsbijdrage van 13,07% afstaan, maar alleen op het gedeelte dat de eerste zeventien dagen van de wettelijke vakantie dekt. Op het belastbare totaal wordt er dan ook nog bedrijfsvoorheffing berekend.

  • Bij uitdiensttreding
  • In het kader van de uitdiensttreding wordt een forfaitaire berekening gemaakt. Het vakantiegeld stemt in dat geval immers overeen met het door de bediende nog niet genoten recht op vakantie, met name 7,67% dat nog van het enkel vakantiegeld overblijft (aangezien het mogelijk is dat hij al vakantie heeft opgenomen en hiervoor gewoon doorbetaald werd) en 7,67% dubbel vakantiegeld op het loon van de vakantiedienstjaren én een vertrekvakantiegeld van 15,34% voor het volgende jaar.

    Opmerking
    Bij de berekening van het vakantiegeld bij uitdiensttreding worden de eindejaarspremie, het enkele vakantiegeld, de voordelen in natura … mee in aanmerking genomen. Het dubbele vakantiegeld, de opzeggingsvergoeding … worden daarentegen niet in de berekening opgenomen.

  • Bij volledige schorsing van de arbeidsovereenkomst wegens loopbaanonderbreking of tijdskrediet
  • Bij volledige onderbreking van de beroepsactiviteit in het kader van loopbaanonderbreking en tijdskrediet, moet de werkgever het vakantiegeld afrekenen zoals bij uitdiensttreding.

  • Bij vermindering van de arbeidsprestaties
  • Bij elke arbeidsduurvermindering in de loop van het jaar, hoe miniem ook, dient de werkgever over te gaan tot de uitbetaling van het vertrekvakantiegeld, samen met het loon voor de maand december.

    Op het enkele vakantiegeld (= 7,67%) bij uitdiensttreding wordt sinds 1 januari 2007 de gewone RSZ-werknemersbijdrage ingehouden. Op het dubbele vakantiegeld (= 7,67%) wordt 6,8% onderworpen aan de speciale werknemersbijdrage van 13,07%. Op het volledige vertrekvakantiegeld wordt tot slot de bedrijfsvoorheffing afgehouden.

    De aanvullende vakantie aan het begin of bij de hervatting van de werknemersactiviteit

    Voor welke werknemers?

    In het hierboven besproken systeem van de algemene wettelijke vakantie bleven de volgende twee categorieën van werknemers verstoken van volledige vakantierechten:

    1. personen die een activiteit als werknemer aanvatten:
      • die hun eerste werkjaar starten als werknemer;
      • die als werknemer aan de slag gaan na gedurende een bepaalde periode in het buitenland gepresteerd te hebben;
      • die overstappen van het zelfstandigenstatuut of het ambtenarenstatuut naar het werknemersstatuut.
    2. personen die een activiteit als werknemer hervatten, na:
      • een periode van volledige werkloosheid (tijdens dewelke zij niet zijn verbonden door een arbeidsovereenkomst);
      • een periode van invaliditeit;
      • een periode van voltijds tijdskrediet;
      • volledige loopbaanonderbreking (palliatief verlof met volledige schorsing van de arbeidsovereenkomst, voltijds ouderschapsverlof, volledige schorsing voor de bijstand of verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid);
      • na opname van een verlof zonder wedde;
      • na een oproeping onder de wapens.

    Daarom werd met ingang van 1 april 2012 een nieuwe regeling van aanvullende vakantie aan het begin of bij de hervatting van de werknemersactiviteit van kracht. In tegenstelling tot het gewone stelsel van de wettelijke vakantie kan de werknemer kiezen om de aanvullende vakantie op te nemen, dat is dus niet verplicht.

    Behalve de voorwaarde dat de werknemer moet behoren tot één van de voornoemde categorieën, worden de volgende voorwaarden gesteld:

    Een aanloopperiode van 3 maanden

    Het recht op aanvullende vakantie kan pas worden uitgeoefend nadat de werknemer een aanloopperiode van minstens 3 maanden van arbeidsprestaties of gelijkgestelde periodes heeft doorlopen.

    Die volledige periode van 3 maanden moet vallen binnen hetzelfde kalenderjaar, maar moet niet noodzakelijk ononderbroken zijn.

    Voorbeeld
    Indien een werknemer bijvoorbeeld voor het eerst na een lange periode van volledige werkloosheid terug begint te werken op 1 november van het jaar X, zal hij voor dat jaar X geen rechten op aanvullende vakantie opbouwen. Voor het jaar X+1 zal hij pas vanaf de laatste week van maart rechten opbouwen op aanvullende vakantie.

    Alle rechten in het gewone stelsel van de jaarlijkse vakantie moeten zijn uitgeput

    Indien de werknemer nog rechten heeft openstaan binnen het gewone stelsel van de wettelijke vakantiedagen (op basis van het vorige vakantiedienstjaar), moeten eerst die vakantiedagen zijn opgenomen alvorens de werknemer gebruik kan maken van het recht op aanvullende vakantie.

    Voorbeeld
    Indien een bediende bijvoorbeeld wordt aangeworven op 1 juli van het jaar X, en de volgende dag arbeidsongeschikt wordt t.e.m. 31 december van dat jaar, waarna hij het werk herneemt op 1 januari van het jaar X+1, heeft hij rechten opgebouwd op vakantiedagen volgens het gewone vakantiestelsel (m.n. 10 wettelijke vakantiedagen).

    De duur van de aanvullende vakantie

    Nadat die eerste aanloopperiode van 3 maanden is vervuld, heeft een bediende die in een vijfdagenweek werkt recht op 5 dagen aanvullende vakantie, op te nemen in onderling akkoord met de werkgever vanaf de laatste week van de aanloopperiode. Na de aanloopperiode van 3 maanden heeft de bediende die werkt in een arbeidsstelsel van 6 dagen per week recht op 2 dagen aanvullende vakantie per maand van prestaties verricht bij één of meerdere werkgevers. In een vijfdagenstelsel komt dit neer op 5 dagen aanvullende vakantie per periode van 3 maanden.

    Voor de arbeider is het aantal vakantiedagen evenredig aan het aantal effectief gewerkte en gelijkgestelde dagen tijdens het lopende jaar.

    Het vakantiegeld voor de aanvullende vakantie

    Een bediende ontvangt tijdens de aanvullende vakantie zijn gewone loon als vakantiegeld. Het aanvullende vakantiegeld dat de bediende zodoende ontvangt, wordt in het volgende kalenderjaar (het vakantiejaar in de gewone regeling) afgetrokken van het dubbele vakantiegeld dat hij dan ontvangt of, indien hij in tussentijd uit dienst zou treden (of voltijds tijdskrediet opneemt …), van het vertrekvakantiegeld. De werkgever ‘prefinanciert’ dus dat aanvullende vakantiegeld voor de bediende, maar uiteindelijk betaalt de bediende de aanvullende vakantie zelf.

    Aan arbeiders wordt het aanvullende vakantiegeld ten laatste uitbetaald in de loop van het kwartaal volgend op het kwartaal tijdens hetwelk het recht op aanvullende vakantie werd uitgeoefend. Evenals voor bedienden, komt voor arbeiders het aanvullende vakantiegeld in mindering van de uitbetaling van het (dubbele) vakantiegeld van het jaar dat volgt op het opnemen van de aanvullende vakantie, met dit verschil dat dat ten belope van een maximumbedrag van 50% gebeurt. De solidariteit van de vakantieregeling voor arbeiders treedt in werking in de gevallen waarin het totale bedrag van het aanvullende vakantiegeld niet kon worden afgetrokken.

    De niet-overdraagbaarheid van de aanvullende vakantie

    Indien de werknemer in de onmogelijkheid verkeert om de aanvullende vakantie op te nemen, gaan de dagen aanvullende vakantie verloren zonder dat die vergoed worden (de werknemer ontvangt het volgende jaar het volledige dubbele vakantiegeld).

    Jeugd- en seniorvakantie

    Voor bepaalde categorieën van personen, met name pas afgestudeerde jongeren (in het jaar na beëindiging van hun studies) en oudere werknemers (50+), voorziet de Belgische wetgever wél in vakantierechten ter aanvulling van een onvolledig aantal betaalde vakantiedagen, waarbij er een uitkering wordt betaald ten laste van de werkloosheidsverzekering:

    Jeugdvakantie

    Jeugdige werknemers hebben niet alleen recht op een aantal vakantiedagen en vakantiegeld in verhouding tot het aantal arbeidsdagen en gelijkgestelde dagen tijdens het vakantiedienstjaar, maar kunnen onder bepaalde voorwaarden ook aanspraak maken op een aantal bijkomende vakantiedagen met een maximum van 4 vakantieweken. Telkens als zij die bijkomende dagen opnemen, kunnen zij aanspraak maken op een jeugdvakantievergoeding uitbetaald door de RVA.

    Seniorvakantie

    Oudere werknemers vanaf 50 jaar hebben tijdens het eerste vakantiejaar dat volgt op het jaar waarin zij volledig werkloos of ongeschikt waren recht op een aantal vakantiedagen en vakantiegeld in verhouding tot het aantal arbeidsdagen en gelijkgestelde dagen tijdens het vakantiedienstjaar. Tevens kunnen zij onder bepaalde voorwaarden aanspraak maken op een aantal bijkomende vakantiedagen met een maximum van 4 vakantieweken. Telkens als zij die bijkomende dagen opnemen, kunnen zij aanspraak maken op een seniorvakantie-uitkering ten laste van de RVA.

    Combinatie van jeugd- en seniorvakantie met aanvullende vakantie

    De systemen van jeugd- en seniorvakantie zoals hoger besproken blijven apart bestaan, naast het recht op aanvullende vakantie. De RVA aanvaardt dat beide systemen worden gecombineerd.

    Let op!

    De jeugd- en seniorvakantie kunnen, net als het recht op aanvullende vakantie, pas worden opgenomen indien alle wettelijke vakantiedagen zijn uitgeput.

    Ben je aangemeld, dan kan je per artikel één woord, zin, of paragraaf markeren en persoonlijke notities toevoegen.
    We hebben uw bericht ontvangen