Enkele algemene principes inzake het loon

Inleiding

De problematiek van het loon neemt in het arbeids- en socialezekerheidsrecht een centrale plaats in. Deze materie is bijzonder complex en ligt verspreid over uiteenlopende wetgevingen die de arbeidsrechtelijke, socialezekerheidsrechtelijke en fiscale aspecten van de beloning regelen. Het is dan ook onmogelijk om in dit bestek een allesomvattende analyse te maken van alle regelgevingen die het loon aanbelangen. Wel zal hieronder een overzicht gegeven worden van de regels die in de praktijk van belang blijken te zijn.

Hoe wordt het loon vastgesteld?

In veel sectoren worden cao’s gesloten die bepalen welk loon dient te worden toegekend aan een welbepaalde werknemer. Vaak bevatten deze cao’s inderdaad functieclassificaties en wordt het loon volgens de anciënniteit en/of het aantal jaren beroepservaring vastgesteld. De vraag tot welk paritair comité een onderneming voor haar werknemers behoort, en of binnen een paritair comité cao’s werden gesloten die bepalen welke arbeidsvoorwaarden de werknemers genieten, is derhalve de eerste vraag die beantwoord dient te worden bij het vaststellen van het loon.

Er zijn drie grote groepen paritaire comités: paritaire comités die bevoegd zijn voor de arbeiders, de comités die bevoegd zijn voor de bedienden, en de comités waaronder ondernemingen vallen voor zowel hun arbeiders als hun bedienden. Het is dan ook mogelijk dat een onderneming ressorteert onder verscheidene paritaire comités.

Het bevoegde paritair comité wordt bepaald op grond van de hoofdactiviteit van de onderneming. De individuele functies die individuele werknemers uitoefenen, zijn derhalve in principe irrelevant.
Er bestaat geen afgelijnde procedure om te bepalen tot welk paritair comité een onderneming behoort. De startende werkgever bepaalt in principe zelf van welk paritair comité hij de cao’s zal naleven. Die beslissing kan naderhand in vraag gesteld worden door bijvoorbeeld de sociale inspectie of de Algemene Directie Collectieve arbeidsbetrekkingen. De werkgever is niet gebonden door hun bevindingen.

In de praktijk leidt het ontbreken van een bijzondere procedure voor het vaststellen van het bevoegde paritair comité wel eens tot problemen. Wanneer de inspectiediensten bijvoorbeeld menen dat een onderneming behoort tot een ander paritair comité dan voorgesteld door de werkgever, kan deze informatie doorgegeven worden aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Deze kan dan beslissen tot de inning van bijdragen ten gunste van het Fonds voor Bestaanszekerheid van de sector die als bevoegd aangewezen werd door de inspectie. Door het ontbreken van een specifieke procedure om dergelijke geschillen te beslechten, zien werkgevers zich vaak genoodzaakt de door de RSZ gevorderde bijdragen onder voorbehoud te betalen, om deze bijdragen vervolgens voor de arbeidsrechtbank terug te vorderen. Voor de rechtbank zal dan de vraag dienen te worden beslecht tot welk paritair comité de onderneming behoort.

Naast de sectorale cao’s kunnen lonen eveneens vastgesteld zijn in collectieve arbeidsovereenkomsten die in de schoot van de onderneming zelf werden gesloten. Zulke cao’s zijn inderdaad geldig op voorwaarde dat de bepaalde lonen niet minder gunstig zijn dan de lonen die op het niveau van het paritair comité werden bepaald. Maar zelfs als een bedrijfs-cao gunstigere lonen toekent, dient nog steeds onderzocht te worden of de bedrijfs-cao verenigbaar is met de sectorale cao’s.

Als geen cao gesloten werd waarin de minimaal toe te kennen lonen bepaald worden, beschikt de werkgever niet over een absolute vrijheid om de toe te kennen lonen te bepalen. Als het paritair comité geen toe te passen loonschalen vaststelde, dient de werkgever immers nog steeds het zogenaamde gewaarborgde gemiddelde minimummaandinkomen (GMMI) te respecteren. Behalve enkele uitzonderingen is dit GMMI van toepassing op alle werknemers van 21 jaar en ouder. Volgens de stijging van de leeftijd en de anciënniteit wordt telkens een ander GMMI vastgesteld. Ook wordt het GMMI periodiek aangepast.

Gemiddeld maandelijks minimuminkomen op 1 januari 2016 voor jonge werknemers:

Leeftijd van de jonge werknemer GMMI op 1 januari 2016
21 jaar en meer € 1559,38 (1)
20 jaar€ 1559,38, op voorwaarde dat de jongere een aciënniteit van 12 maanden in de onderneming heeft
19,5 jaar€ 1541,67, op voorwaarde dat de jongere een anciënniteit van 6 maanden in de onderneming heeft
18 jaar€ 1501,82
17 jaar€ 1141,38 (= 76 % van € 1501,82)
16 jaar en minder€ 1051,27 (= 70 % van € 1501,82)


Inhoudingen op het loon

In de praktijk stelt men vast dat heel wat werkgevers al dan niet frequent allerhande bedragen in mindering brengen van het loon van de werknemer (bv. onbetaalde onkostennota’s, schade aan firmawagen ...) Men verliest daarbij vaak uit het oog dat inhoudingen op het loon in beginsel verboden zijn (artikel 23 Loonbeschermingswet). Ook al is de werkgever gerechtigd op de verschuldigde sommen, toch mag hij niet zomaar schuldvergelijking toepassen op het loon of de opzeggingsvergoeding van de werknemer.

Volgens de wet zijn slechts de volgende inhoudingen mogelijk:

  • inhoudingen volgend uit de fiscale (bv. bedrijfsvoorheffing) en socialezekerheidsrechtelijke wetgeving en ingevolge de toepassing van particuliere of collectieve overeenkomsten betreffende bijkomende voordelen inzake sociale zekerheid (bv. werknemersbijdrage aan groepsverzekering);
  • boetes opgelegd door het arbeidsreglement (met inachtneming van de in het arbeidsreglement geldende grenzen en voorwaarden);
  • vergoedingen en schadevergoedingen aan de werkgever verschuldigd door de werknemer, rekening houdend met diens aansprakelijkheidsbeperkingen zoals voorzien in artikel 18 van de Arbeidsovereenkomstenwet (cfr. Infra);
  • voorschotten in geld verstrekt door de werkgever;

  • de gestelde borg voor het nakomen van de verplichtingen van de werknemer.

Indien de werkgever buiten deze limitatief opgesomde gevallen toch overgaat tot schuldvergelijking, dan kan de werknemer deze sommen alsnog gaan opeisen.

Praktische tip: er kan wel onbeperkt schuldvergelijking gebeuren met vakantiegeld, gezien dit niet onder het loonbegrip valt van de Loonbeschermingswet.

Behoudens de eerst vermelde inhoudingen dienen de volgende regels toegepast te worden indien een inhouding verricht mag worden:

  • de inhouding mag slechts berekend worden op het loon in specie, na aftrek van de sociale en fiscale inhoudingen;
  • het totaal van de inhoudingen mag niet meer bedragen dan 20% van het nettoloon, tenzij:
  • de werknemer zich schuldig gemaakt heeft aan bedrog;
  • de werknemer uit eigen wil een einde maakte aan de arbeidsovereenkomst voor de vereffening van zijn schulden.
Ben je aangemeld, dan kan je per artikel één woord, zin, of paragraaf markeren en persoonlijke notities toevoegen.
We hebben uw bericht ontvangen