Besluit

De programmawet van 27 december 2006 voerde een sociale ruling in, een systeem waarbij een rulingcommissie zich uitspreekt over de aard van de arbeidsrelatie na het voorleggen van de vraag hierover door de partijen. Deze beoogde rulingcommissie is nooit operationeel geweest, doch richtte de regering Du Rupo in haar strijd tegen (sociale) fraude wel de Administratieve commissie ter regeling van de arbeidsrelatie op met de wet van 25 augustus 2012, alsook twee KB’s van 11 februari 2013 die de samenstelling en werking van naderbij uiteenzetten.

Partijen kunnen aldus hun arbeidsrelatie voorleggen aan deze administratieve commissie dewelke een bindende beslissing (althans voor de RSZ, de RSVZ en de sociaal verzekeringsfondsen) zal nemen omtrent de aard van de arbeidsrelatie. Deze vraag kan op voorwaarde dat er onzekerheid bestaat over het statuut van werknemer of zelfstandige enerzijds gesteld worden vóór elke uitvoering van een arbeidsrelatie en dient anderzijds uiterlijk tot een jaar na de start van de uitvoering te gebeuren. Als zelfstandige kan u tot een jaar na de start van deze activiteit tevens een aanvraag indienen via uw sociaal verzekeringsfonds. Indien er sectorspecifieke criteria ingeluid worden dient de vraag gesteld te worden binnen het jaar volgend op de inwerkingtreding van deze criteria. Binnen een maand na het vellen van de beslissing kan hiertegen beroep worden aangetekend. De uiteindelijke beslissing geldt gedurende drie jaar, voor zover de omstandigheden van de samenwerking ongewijzigd blijven.

Vervolgens moet er zorgvuldig over gewaakt worden dat men tijdens de uitvoering van de overeenkomst niet geruisloos gaat verglijden in een arbeidsovereenkomst. Het is belangrijk om op elk moment van de samenwerking en vooral na verschillende jaren steeds in het achterhoofd te houden dat bepaalde feitelijke elementen onverenigbaar zijn met een zelfstandige samenwerking.

Indien de professionele samenwerking plaatsvindt in het raam van een van de sectoren waarvoor een vermoeden van arbeidsovereenkomst kan gelden, is het daarenboven van vitaal belang dat men voor ogen houdt dat de samenwerking – indien meer dan de helft van de door de wet bepaalde criteria vervuld is – in principe niet op zelfstandige basis kan gebeuren, tenzij men voldoende elementen kan aanbrengen die het vermoeden van arbeidsovereenkomst weerleggen.

Bij twijfel kan de samenwerking (tijdig) voorgelegd worden aan de Administratieve commissie ter regeling van de arbeidsrelatie, dewelke een beslissing zal nemen aangaande de aard van de arbeidsrelatie. Deze beslissing is bindend ten aanzien van de RSZ, het RSVZ en de sociaal verzekeringsfondsen gedurende een periode van 3 jaar, op voorwaarde dat de omstandigheden van de samenwerking niet wijzigen.

Ben je aangemeld, dan kan je per artikel één woord, zin, of paragraaf markeren en persoonlijke notities toevoegen.
We hebben uw bericht ontvangen